Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-10-30
ECLI:NL:RBMNE:2024:6232
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
933 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/241
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 oktober 2024 in de zaak tussen
[verzoeker 1] en [verzoeker 2] uit [woonplaats] , verzoekers
(gemachtigde: mr. J.W. Adriaansens),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder
(gemachtigde: R.M. Wiersma).
Inleiding
1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekers om het college te veroordelen in de proceskosten die verzoekers hebben gemaakt wegens hun beroep tegen het niet tijdig nemen van een nieuw besluit op bezwaar door het college.
2. Op 23 februari 2024 heeft het college alsnog een nieuw besluit op bezwaar genomen, waarna verzoekers hun beroep hebben ingetrokken onder het gelijktijdige verzoek om een proceskostenveroordeling. Het college heeft op 16 april 2024 op het proceskostenverzoek gereageerd.
3. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
Beoordeling
4. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. In dit geval oordeelt de rechtbank dat er geen aanleiding bestaat voor een proceskostenvergoeding.
5. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft het college op 14 november 2018 opgedragen om een nieuw besluit op bezwaar te nemen. De rechtbank stelt vast dat er ruim vijf jaar is verstreken tussen die uitspraak en de ingebrekestelling van verzoekers wegens niet tijdig beslissen. De rechtbank is van oordeel dat het beroep niet tijdig beslissen onredelijk laat is ingediend. De rechtbank overweegt daarbij dat verzoekers tussen de uitspraak van de Afdeling en de ingebrekestelling geen contact met het college hebben onderhouden. De rechtbank is van oordeel dat verzoekers daarom redelijkerwijs niet meer in het vertrouwen konden verkeren dat het college alsnog een beslissing zou nemen.
6. Gelet op het voornoemde is de rechtbank van oordeel dat er geen aanleiding is voor een proceskostenveroordeling. Dit betekent dat verzoekers geen proceskostenvergoeding krijgen.
Dictum
De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. de Meulder, rechter, in aanwezigheid van mr. S.N. van Ooijen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht.
ECLI:NL:RVS:2018:3684.