Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-10-18
ECLI:NL:RBMNE:2024:6217
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
5,244 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Utrecht
Zaaknummer: C/16/581347 / JE RK 24-1518
Datum uitspraak: 18 oktober 2024
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Samen Veilig Midden-Nederland, gevestigd te Utrecht,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1]
, geboren op [geboortedatum 1] 2008 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2]
, geboren op [geboortedatum 2] 2010 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] ,
[minderjarige 3]
, geboren op [geboortedatum 2] 2010 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen [minderjarige 3] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
waarvan de verblijfplaats niet bij de rechtbank bekend is.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt mee in haar beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 19 september 2024;
de nagezonden stukken van de GI, ontvangen op 10 oktober 2024
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 18 oktober 2024. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder;
- de heer [A] , vertegenwoordiger van de GI.
De vader is correct opgeroepen, maar niet bij de mondelinge behandeling verschenen.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zijn niet verschenen bij het kindgesprek.
Feiten
2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] .
2.2.
[minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] wonen bij hun moeder.
2.3.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 1 november 2021 [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht gesteld. Deze ondertoezichtstelling hierna telkens verlengd, voor het laatst tot 1 november 2024.
2.4.
Bij dezelfde beschikking heeft de kinderrechter een machtiging verleend om [minderjarige 1] dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie jeugdhulpaanbieder. Deze machtiging is hierna steeds verlengd, voor het laatst tot 1 februari 2024. [minderjarige 1] verblijft inmiddels weer bij de moeder.
2.5.
Eveneens bij beschikking van 1 november 2021 heeft de kinderrechter een machtiging verleend om [minderjarige 3] en [minderjarige 2] dag en nacht uit huis te plaatsen bij de vader met gezag tot 1 november 2022. Deze machtiging is hierna voor [minderjarige 3] steeds verlengd, voor het laatst tot 1 november 2024. [minderjarige 3] is voor het einde van de machtiging bij de moeder thuisgeplaatst.
3Het verzoek
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] , [minderjarige 1] en [minderjarige 3] te verlengen voor de duur van zes maanden, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
4De standpunten
4.1.
De moeder staat achter de verlenging van de ondertoezichtstelling. Ze vindt het fijn dat de kinderen weer bij haar wonen. Het is niet altijd makkelijk. De moeder heeft ouderbegeleiding die haar helpt bij de opvoeding van de kinderen. Het contact tussen de kinderen en de vader verloopt nog niet goed, omdat de vader hier een andere kijk op heeft. De moeder blijft de kinderen ondersteunen en stimuleren om contact met de vader te hebben op een manier die zij fijn vinden.
4.2.
De GI heeft aangegeven dat zij zich gaan richten op het stabiliseren van de situatie bij moeder thuis. In de toetsing door de Raad over de terugplaatsing van [minderjarige 1] werd geadviseerd [minderjarige 1] te laten onderzoeken en een coach in te zetten. Dat gaan we doen. De meningsverschillen tussen de vader en de moeder gaan we niet oplossen. De moeder stimuleert de kinderen om contact met vader te hebben. [minderjarige 3] had aangegeven dat hij meer bij vader wilde zijn. Save en moeder hebben daar naar geluisterd en het was de bedoeling dat [minderjarige 1] veel vaker bij vader zou zijn. Dan handelt vader weer onhandig. Vader en zijn partner hebben een bijzondere visie op wat je van kinderen mag verwachten. [minderjarige 3] komt niet en dan ontruimt vader zijn kamer. Dat is niet handig. Vader is al bij herhaling hulpverlening aangeboden. Vader is niet bereid om bij hem thuis hulp te ontvangen.
4.3.
Uit de overlegde stukken blijkt dat de vader het eens is met het verzoek. De vader heeft zijn standpunt niet kunnen toelichten omdat hij niet aanwezig was bij de mondelinge behandeling.
Beoordeling
De beslissing
5.1.
De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] verlengen voor de duur van zes maanden (artikel 1:260, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW). Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 BW.
De toelichting
5.2.
[minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] worden nog steeds in hun ontwikkeling bedreigd omdat de thuissituatie nog niet stabiel is. Ook hebben de kinderen nog geen onbelast en regelmatig contact met de vader hebben. De ouders zijn niet in staat om met elkaar te communiceren en het ouderschap samen vorm te geven: zij verschillen te erg van opvoedstijl. De kinderrechter heeft begrepen dat er wel positieve ontwikkelingen zijn in het gezin. [minderjarige 2] en [minderjarige 3] wonen al een tijdje weer bij de moeder en zij kan de zorg voor hen dragen. Ook [minderjarige 1] woont sinds kort weer bij de moeder en hier gaat het goed met hem. De moeder en de kinderen moeten weer wennen aan elkaar en een nieuw evenwicht vinden. De kinderrechter vindt het belangrijk dat de moeder hier ouderbegeleiding bij heeft en dat zij hier baat bij heeft. Ook vindt zij het goed dat voor de kinderen hulpverlening is ingezet. Wat echter nog problematisch is in het gezin, is het contact tussen de kinderen en de vader. Dit verloopt nog niet goed. De kinderen hebben wel behoefte aan omgang, maar de vader heeft handelt onhandig richting de kinderen en hij heeft ideeën en verwachtingen die de kinderen niet waar kunnen maken. Zo wil de vader dat zijn nieuwe partner bij de omgang betrokken wordt, terwijl de kinderen juist tijd willen doorbrengen met de vader. Tussen de vader en de kinderen bestaat hierdoor wisselend contact. De kinderen hebben het ene moment wel contact met de vader en het andere moment niet meer. Deze situatie is erg schadelijk voor de kinderen, omdat dit voor hen voelt als een afwijzing. De vader accepteert hier echter geen hulpverlening voor.
5.3.
De kinderrechter ziet – net als de GI – binnen de ondertoezichtstelling geen mogelijkheden meer zijn voor verbetering van het gezamenlijk ouderschap. De kinderrechter heeft er echter vertrouwen in dat de moeder in staat is om de kinderen te blijven ondersteunen en motiveren bij het contact met de vader. Het is nu aan de vader om zijn handelen aan te passen aan de mogelijkheden en belangen van de kinderen. De kinderrechter vindt het daarom net als de GI passend om toe te werken naar het vrijwillig kader. Zij is echter van oordeel dat de komende periode een ondertoezichtstelling nog nodig is om stabiliteit te verstevigen in de thuissituatie. Nog bezien moet worden of het goed blijft gaan met [minderjarige 1] in de thuissituatie of dat hier nog hulpverlening voor moet komen. Ook vindt de kinderrechter het belangrijk dat de GI, voor zover mogelijk, de kinderen en de vader nog begeleidt in hun contact. De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling daarom verlenen voor de duur van zes maanden.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] , [minderjarige 1] en [minderjarige 3] tot 1 mei 2025;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 oktober 2024 door mr. E.A.A. van Kalveen, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. J.C.M. Joosten als griffier, en op schrift gesteld op 13 november 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden.
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Utrecht
Zaaknummer: C/16/581347 / JE RK 24-1518
Datum uitspraak: 18 oktober 2024
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Samen Veilig Midden-Nederland, gevestigd te Utrecht,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1]
, geboren op [geboortedatum 1] 2008 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2]
, geboren op [geboortedatum 2] 2010 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] ,
[minderjarige 3]
, geboren op [geboortedatum 2] 2010 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen [minderjarige 3] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
waarvan de verblijfplaats niet bij de rechtbank bekend is.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt mee in haar beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 19 september 2024;
de nagezonden stukken van de GI, ontvangen op 10 oktober 2024
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 18 oktober 2024. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder;
- de heer [A] , vertegenwoordiger van de GI.
De vader is correct opgeroepen, maar niet bij de mondelinge behandeling verschenen.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zijn niet verschenen bij het kindgesprek.
Feiten
2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] .
2.2.
[minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] wonen bij hun moeder.
2.3.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 1 november 2021 [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht gesteld. Deze ondertoezichtstelling hierna telkens verlengd, voor het laatst tot 1 november 2024.
2.4.
Bij dezelfde beschikking heeft de kinderrechter een machtiging verleend om [minderjarige 1] dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie jeugdhulpaanbieder. Deze machtiging is hierna steeds verlengd, voor het laatst tot 1 februari 2024. [minderjarige 1] verblijft inmiddels weer bij de moeder.
2.5.
Eveneens bij beschikking van 1 november 2021 heeft de kinderrechter een machtiging verleend om [minderjarige 3] en [minderjarige 2] dag en nacht uit huis te plaatsen bij de vader met gezag tot 1 november 2022. Deze machtiging is hierna voor [minderjarige 3] steeds verlengd, voor het laatst tot 1 november 2024. [minderjarige 3] is voor het einde van de machtiging bij de moeder thuisgeplaatst.
3Het verzoek
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] , [minderjarige 1] en [minderjarige 3] te verlengen voor de duur van zes maanden, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
4De standpunten
4.1.
De moeder staat achter de verlenging van de ondertoezichtstelling. Ze vindt het fijn dat de kinderen weer bij haar wonen. Het is niet altijd makkelijk. De moeder heeft ouderbegeleiding die haar helpt bij de opvoeding van de kinderen. Het contact tussen de kinderen en de vader verloopt nog niet goed, omdat de vader hier een andere kijk op heeft. De moeder blijft de kinderen ondersteunen en stimuleren om contact met de vader te hebben op een manier die zij fijn vinden.
4.2.
De GI heeft aangegeven dat zij zich gaan richten op het stabiliseren van de situatie bij moeder thuis. In de toetsing door de Raad over de terugplaatsing van [minderjarige 1] werd geadviseerd [minderjarige 1] te laten onderzoeken en een coach in te zetten. Dat gaan we doen. De meningsverschillen tussen de vader en de moeder gaan we niet oplossen. De moeder stimuleert de kinderen om contact met vader te hebben. [minderjarige 3] had aangegeven dat hij meer bij vader wilde zijn. Save en moeder hebben daar naar geluisterd en het was de bedoeling dat [minderjarige 1] veel vaker bij vader zou zijn. Dan handelt vader weer onhandig. Vader en zijn partner hebben een bijzondere visie op wat je van kinderen mag verwachten. [minderjarige 3] komt niet en dan ontruimt vader zijn kamer. Dat is niet handig. Vader is al bij herhaling hulpverlening aangeboden. Vader is niet bereid om bij hem thuis hulp te ontvangen.
4.3.
Uit de overlegde stukken blijkt dat de vader het eens is met het verzoek. De vader heeft zijn standpunt niet kunnen toelichten omdat hij niet aanwezig was bij de mondelinge behandeling.
Beoordeling
De beslissing
5.1.
De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] verlengen voor de duur van zes maanden (artikel 1:260, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW). Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 BW.
De toelichting
5.2.
[minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] worden nog steeds in hun ontwikkeling bedreigd omdat de thuissituatie nog niet stabiel is. Ook hebben de kinderen nog geen onbelast en regelmatig contact met de vader hebben. De ouders zijn niet in staat om met elkaar te communiceren en het ouderschap samen vorm te geven: zij verschillen te erg van opvoedstijl. De kinderrechter heeft begrepen dat er wel positieve ontwikkelingen zijn in het gezin. [minderjarige 2] en [minderjarige 3] wonen al een tijdje weer bij de moeder en zij kan de zorg voor hen dragen. Ook [minderjarige 1] woont sinds kort weer bij de moeder en hier gaat het goed met hem. De moeder en de kinderen moeten weer wennen aan elkaar en een nieuw evenwicht vinden. De kinderrechter vindt het belangrijk dat de moeder hier ouderbegeleiding bij heeft en dat zij hier baat bij heeft. Ook vindt zij het goed dat voor de kinderen hulpverlening is ingezet. Wat echter nog problematisch is in het gezin, is het contact tussen de kinderen en de vader. Dit verloopt nog niet goed. De kinderen hebben wel behoefte aan omgang, maar de vader heeft handelt onhandig richting de kinderen en hij heeft ideeën en verwachtingen die de kinderen niet waar kunnen maken. Zo wil de vader dat zijn nieuwe partner bij de omgang betrokken wordt, terwijl de kinderen juist tijd willen doorbrengen met de vader. Tussen de vader en de kinderen bestaat hierdoor wisselend contact. De kinderen hebben het ene moment wel contact met de vader en het andere moment niet meer. Deze situatie is erg schadelijk voor de kinderen, omdat dit voor hen voelt als een afwijzing. De vader accepteert hier echter geen hulpverlening voor.
5.3.
De kinderrechter ziet – net als de GI – binnen de ondertoezichtstelling geen mogelijkheden meer zijn voor verbetering van het gezamenlijk ouderschap. De kinderrechter heeft er echter vertrouwen in dat de moeder in staat is om de kinderen te blijven ondersteunen en motiveren bij het contact met de vader. Het is nu aan de vader om zijn handelen aan te passen aan de mogelijkheden en belangen van de kinderen. De kinderrechter vindt het daarom net als de GI passend om toe te werken naar het vrijwillig kader. Zij is echter van oordeel dat de komende periode een ondertoezichtstelling nog nodig is om stabiliteit te verstevigen in de thuissituatie. Nog bezien moet worden of het goed blijft gaan met [minderjarige 1] in de thuissituatie of dat hier nog hulpverlening voor moet komen. Ook vindt de kinderrechter het belangrijk dat de GI, voor zover mogelijk, de kinderen en de vader nog begeleidt in hun contact. De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling daarom verlenen voor de duur van zes maanden.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] , [minderjarige 1] en [minderjarige 3] tot 1 mei 2025;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 oktober 2024 door mr. E.A.A. van Kalveen, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. J.C.M. Joosten als griffier, en op schrift gesteld op 13 november 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden.