Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-11-08
ECLI:NL:RBMNE:2024:6177
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,544 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/886
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 november 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. M. Flipse),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigde: mr. S.N. Westmaas).
Inleiding
1. Eiser was werkzaam als productiemedewerker bij een dakpannenfabriek voor 40,60 uur per week. Vanuit de situatie dat hij een uitkering ontving op grond van de Werkloosheidswet. Hij heeft zich met ingang van 7 februari 2022 ziek gemeld. Vanaf dat moment ontving hij ziekengeld op basis van de Ziektewet.
1.1.
Het Uwv heeft beslist dat eiser geen recht meer heeft op ziekengeld per 10 juli 2023. De reden hiervoor is dat eiser meer kan verdienen dan 65% van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Dit is beoordeeld naar het moment één jaar na de ziekmelding, dat is in dit geval 6 februari 2023. Daarom wordt dit de eerstejaars Ziektewetbeoordeling (EZWB) genoemd. Dit alles staat in het besluit van het Uwv van 9 juni 2023.
1.2.
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Het Uwv is met de beslissing op bezwaar van 22 januari 2024 bij het besluit gebleven.
1.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen die beslissing op bezwaar. Het Uwv heeft gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 26 augustus 2024 op zitting behandeld. Hier waren de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het Uwv aanwezig.
Geheimhouding medische gegevens
2. Om te voorkomen dat na publicatie van deze uitspraak medische informatie herleidbaar is tot eiser, zal de rechtbank de medische omstandigheden van de zaak niet expliciet bespreken in de uitspraak.
Waar gaat het om?
3. Deze zaak gaat over de vraag of het Uwv terecht heeft geoordeeld dat eiser in staat is meer dan 65% van zijn laatstverdiende loon te verdienen in passend werk. Het gevolg van dit oordeel van het Uwv is dat eiser vanaf 10 juli 2023 geen ziekengeld meer krijgt. Eiser meent dat het besluit om meerdere redenen onjuist is. De rechtbank beoordeelt het besluit van het Uwv aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
Hoe toetst de rechtbank?
4. De rechtbank past bij de beoordeling het volgende kader toe. Het Uwv mag besluiten over iemands arbeidsongeschiktheid baseren op rapporten van verzekeringsartsen. Die rapporten moeten dan wel aan de volgende drie voorwaarden voldoen. De rapporten zijn op een zorgvuldige manier tot stand gekomen, bevatten geen tegenstrijdigheden en zijn voldoende begrijpelijk.
4.1.
De rapporten en de besluiten die daarop gebaseerd zijn, zijn in beroep wel aanvechtbaar. Het is dan wel aan de eisende partij om aan te voeren (en zo nodig aannemelijk te maken) dat de rapporten niet aan de drie genoemde voorwaarden voldoen of dat de medische beoordeling onjuist is. Niet-medisch geschoolden kunnen aannemelijk maken dat niet aan de drie genoemde voorwaarden is voldaan. Voor het aannemelijk maken dat een medische beoordeling onjuist is, is in principe een rapport van een arts of medisch behandelaar noodzakelijk. Bij de rechtbank werken namelijk geen artsen en de rechtbank kan zelf dus niet zomaar zeggen dat een verzekeringsarts een onjuiste medische conclusie heeft getrokken. Dit betekent dat hoe iemand zich zelf voelt, zonder dat daar een medische onderbouwing voor is, niet genoeg is om bij de rechtbank gelijk te krijgen.
Wat vindt de rechtbank?
5. De rechtbank is van oordeel dat het Uwv het besluit terecht heeft genomen. De beroepsgronden slagen niet. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.
De zorgvuldigheid van het onderzoek
6. Allereerst bespreekt de rechtbank de beroepsgronden van eiser die betrekking hebben op de rapporten van de primaire verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
7. Eiser stelt dat de rapporten van de verzekeringsartsen niet op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, omdat daarin onvoldoende aandacht is besteed aan de gevolgen van een geweldsincident dat tijdens het eerste ziektejaar heeft plaatsgevonden.
7.1.
De rechtbank stelt vast dat zowel de primaire verzekeringsarts als de verzekeringsarts bezwaar en beroep het geweldsincident en de gevolgen daarvan bespreken en hebben betrokken bij hun beschouwing van eisers situatie. Volgens vaste rechtspraak mag een verzekeringsarts in beginsel varen op het eigen medisch oordeel. Er bestaat geen aanleiding om informatie in te winnen bij de behandelend sector, tenzij sprake is van een in gang gezette of een nog in gang te zetten behandeling die een beduidend effect zal hebben op de mogelijkheden tot het verrichten van arbeid, of als de behandelend sector een beredeneerd afwijkend oordeel heeft over de medische beperkingen van de betrokkene. De rechtbank stelt vast dat de primaire verzekeringsarts informatie heeft opgevraagd bij de behandelaar. De ontvangen informatie is ook in de beoordeling betrokken. In bezwaar en in beroep heeft eiser niet aangegeven bij welke behandelaar welke aanvullende informatie had kunnen worden ingewonnen. Van een onzorgvuldig medisch onderzoek is de rechtbank dan ook niet gebleken.
De medische beoordeling
8. Eiser stelt dat sprake is van ‘geen benutbare mogelijkheden’ (GBM). Volgens eiser had de verzekeringsarts bezwaar en beroep tot die conclusie moeten komen omdat eiser niet geschikt is voor zijn eigen werk – dat is het werk dat hij als laatste deed voor zijn ziekmelding – en omdat een poging tot re-integratie is mislukt.
8.1.
Slechts in de gevallen genoemd in artikel 2, vijfde lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (het Schattingsbesluit) kan de verzekeringsarts oordelen dat sprake is van GBM. Het niet geschikt zijn voor eigen werk is niet een van die gevallen. Dat eiser zijn laatste werk van vóór de ziekmelding niet meer kan doen, sluit immers niet uit dat ander werk wel mogelijk is. Ook een mislukte re-integratiepoging is niet een van de gevallen genoemd in het Schattingsbesluit. De primaire verzekeringsarts heeft beoordeeld of sprake is van GBM en geconcludeerd dat dit niet het geval is. Eiser heeft niets aangevoerd wat aan die beoordeling doet twijfelen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep hoefde daarom niet anders te oordelen dan de primaire verzekeringsarts heeft gedaan. Het eigen gevoel van eiser of zijn gemachtigde dat wel aan de criteria voor GBM is voldaan, is onvoldoende. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de medische beoordeling op dit onderdeel onjuist is.
9. Eiser stelt ook dat sprake is van meer beperkingen dan door de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn vastgesteld. Ter onderbouwing wijst eiser op de mislukte re-integratiepoging. Daaruit blijkt dat eiser nog met dezelfde klachten kampt als ten tijde van de ziekmelding. Dit sluit aan bij het gevoel van eiser dat hij door zijn klachten niet tot arbeid in staat is.
9.1.
Bij de EZWB gaat het om de vraag of eiser in staat is tenminste 65% van zijn laatstverdiende loon te verdienen. Voor die beoordeling is niet relevant of de klachten ten opzichte van het moment van de ziekmelding zijn veranderd. De klachten kunnen dus hetzelfde zijn. Voor het betwisten van de juistheid van een gegeven medische beoordeling, is in beginsel een rapport van een medicus noodzakelijk. Een dergelijk rapport heeft eiser echter niet overgelegd. Dat de klachten van eiser tot meer beperkingen hadden moeten leiden, is daarom niet op basis van medisch objectieve gronden aannemelijk geworden.
Conclusie
15. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het besluit van het Uwv om de betaling van het ziekengeld te beëindigen, in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. de Snoo, rechter, in aanwezigheid van P. Molenaar, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 8 november 2024.
De griffier is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Het indienen van een hogerberoepschrift kan hetzij digitaal via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl hetzij door verzending per post aan de Centrale Raad van Beroep.
Zie bijvoorbeeld Centrale Raad van Beroep 19 juli 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT9979 en Centrale Raad van Beroep 13 juni 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW9087.
Dit volgt uit vaste rechtspraak, zie Centrale Raad van Beroep 19 juli 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1413.