Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-10-25
ECLI:NL:RBMNE:2024:6145
Strafrecht; Strafprocesrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,292 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
parketnummer: 16-230344-23
Beschikking van de meervoudige strafkamer op het verzoek ex artikel 29f van het Wetboek van Strafvordering (Sv)
in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres [adres] , [postcode] [plaats] .
Verder: [verdachte (voornaam)] .
Raadsman: mr. A.H.T. de Haas.
Procedure
Bij vonnis van 19 april 2024 heeft de rechtbank op grond van artikel 16 Sv de vervolging van [verdachte (voornaam)] geschorst omdat de rechtbank van oordeel is dat [verdachte (voornaam)] niet in staat kan worden geacht om op een effectieve wijze deel te nemen aan zijn strafproces.
De raadsman heeft de rechtbank verzocht de beëindiging van de strafzaak uit te spreken, omdat gezien de complexe problematiek bij [verdachte (voornaam)] niet verwacht kan worden dat hij op enig moment wel terecht kan staan.
De rechtbank heeft bij vonnis van 19 april 2024 geoordeeld dat dit verzoek op dat moment voortijdig werd gedaan, dat de rechtbank op dat moment dan ook geen beslissing zou nemen op dit verzoek en de beslissing op dit punt aangehouden tot een later moment.
Ook heeft de rechtbank bij vonnis van 19 april 2024 bepaald dat de schorsing van de vervolging zich niet uitstrekt tot hetgeen de voorlopige hechtenis betreft en voorts de schorsing van het onderzoek ter terechtzitting bevolen tot een nader te bepalen zitting in oktober 2024 ten behoeve van de nieuwe beoordeling van de - geschorste - voorlopige hechtenis.
Op 25 oktober 2024 heeft deze zitting plaatsgevonden. Ter zitting heeft de raadsman van de verdachte verzocht het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen. Ook heeft de raadsman op deze zitting de rechtbank wederom verzocht de beëindiging van de strafzaak uit te spreken.
De officier van justitie, mr. F. Rethmeier, heeft zich niet tegen toewijzing van dit verzoek tot verklaring van beëindiging van de strafzaak verzet.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafdossier en heeft de officier van justitie, de verdachte en de raadsman, de ouders, de Raad voor de Kinderbescherming en de Jeugdreclassering gehoord.
Beoordeling
Artikel 29f lid 1 Sv houdt - kort gezegd - in dat als de vervolging niet wordt voortgezet, de rechtbank op het verzoek van de verdachte kan verklaren dat de zaak geëindigd is.
Bij vonnis van 19 april 2024 heeft de rechtbank geoordeeld dat het [verdachte (voornaam)] ontbreekt aan een algemeen inzicht in de aard van het strafproces, in wat daar aan de orde komt en in wat op het spel staat, zodat van effectieve participatie geen sprake is. De door de officier van justitie benoemde aanwezige compenserende maatregelen, waaronder het kindvriendelijk studioverhoor en de bijstand van een kundig raadsman, maken voorgaande evenmin anders. Nu [verdachte (voornaam)] het minimaal vereiste begripsniveau niet haalt, kan van effectieve participatie aan het strafproces geen sprake meer zijn zodat dit niet kan worden gecompenseerd.
De rechtbank is dan ook tot het oordeel gekomen dat de vervolging van [verdachte (voornaam)] op grond van artikel 16, eerste lid, Sv diende te worden geschorst.
De rechtbank is, gezien de aard van de complexe problematiek bij [verdachte (voornaam)] , van oordeel dat er, ook na verloop van tijd, niet verwacht kan worden dat [verdachte (voornaam)] op enig moment wel terecht kan staan. Er bestaat dus geen uitzicht op herstel van [verdachte (voornaam)] en daarmee is het niet waarschijnlijk dat de schorsing van de vervolging op enig moment in de toekomst met toepassing van artikel 16 lid 2 Sv zal worden opgeheven.
Het verzoek tot verklaring van beëindiging van de strafzaak tegen [verdachte (voornaam)] zal dan ook worden toegewezen.
Dictum
De rechtbank wijst het verzoek toe en verklaart dat de zaak met bovenvermeld parketnummer is geëindigd.
Deze beslissing is gegeven ter terechtzitting van 25 oktober 2024 door mr. L.M.G. de Weerd, voorzitter, tevens kinderrechter, mrs. N.M.H. van Ek en H.M. Vos, (kinder)rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. Gardenier als griffier en ondertekend door de voorzitter en de griffier.
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
parketnummer: 16-230344-23
Beschikking van de meervoudige strafkamer op het verzoek ex artikel 29f van het Wetboek van Strafvordering (Sv)
in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres [adres] , [postcode] [plaats] .
Verder: [verdachte (voornaam)] .
Raadsman: mr. A.H.T. de Haas.
Procedure
Bij vonnis van 19 april 2024 heeft de rechtbank op grond van artikel 16 Sv de vervolging van [verdachte (voornaam)] geschorst omdat de rechtbank van oordeel is dat [verdachte (voornaam)] niet in staat kan worden geacht om op een effectieve wijze deel te nemen aan zijn strafproces.
De raadsman heeft de rechtbank verzocht de beëindiging van de strafzaak uit te spreken, omdat gezien de complexe problematiek bij [verdachte (voornaam)] niet verwacht kan worden dat hij op enig moment wel terecht kan staan.
De rechtbank heeft bij vonnis van 19 april 2024 geoordeeld dat dit verzoek op dat moment voortijdig werd gedaan, dat de rechtbank op dat moment dan ook geen beslissing zou nemen op dit verzoek en de beslissing op dit punt aangehouden tot een later moment.
Ook heeft de rechtbank bij vonnis van 19 april 2024 bepaald dat de schorsing van de vervolging zich niet uitstrekt tot hetgeen de voorlopige hechtenis betreft en voorts de schorsing van het onderzoek ter terechtzitting bevolen tot een nader te bepalen zitting in oktober 2024 ten behoeve van de nieuwe beoordeling van de - geschorste - voorlopige hechtenis.
Op 25 oktober 2024 heeft deze zitting plaatsgevonden. Ter zitting heeft de raadsman van de verdachte verzocht het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen. Ook heeft de raadsman op deze zitting de rechtbank wederom verzocht de beëindiging van de strafzaak uit te spreken.
De officier van justitie, mr. F. Rethmeier, heeft zich niet tegen toewijzing van dit verzoek tot verklaring van beëindiging van de strafzaak verzet.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafdossier en heeft de officier van justitie, de verdachte en de raadsman, de ouders, de Raad voor de Kinderbescherming en de Jeugdreclassering gehoord.
Beoordeling
Artikel 29f lid 1 Sv houdt - kort gezegd - in dat als de vervolging niet wordt voortgezet, de rechtbank op het verzoek van de verdachte kan verklaren dat de zaak geëindigd is.
Bij vonnis van 19 april 2024 heeft de rechtbank geoordeeld dat het [verdachte (voornaam)] ontbreekt aan een algemeen inzicht in de aard van het strafproces, in wat daar aan de orde komt en in wat op het spel staat, zodat van effectieve participatie geen sprake is. De door de officier van justitie benoemde aanwezige compenserende maatregelen, waaronder het kindvriendelijk studioverhoor en de bijstand van een kundig raadsman, maken voorgaande evenmin anders. Nu [verdachte (voornaam)] het minimaal vereiste begripsniveau niet haalt, kan van effectieve participatie aan het strafproces geen sprake meer zijn zodat dit niet kan worden gecompenseerd.
De rechtbank is dan ook tot het oordeel gekomen dat de vervolging van [verdachte (voornaam)] op grond van artikel 16, eerste lid, Sv diende te worden geschorst.
De rechtbank is, gezien de aard van de complexe problematiek bij [verdachte (voornaam)] , van oordeel dat er, ook na verloop van tijd, niet verwacht kan worden dat [verdachte (voornaam)] op enig moment wel terecht kan staan. Er bestaat dus geen uitzicht op herstel van [verdachte (voornaam)] en daarmee is het niet waarschijnlijk dat de schorsing van de vervolging op enig moment in de toekomst met toepassing van artikel 16 lid 2 Sv zal worden opgeheven.
Het verzoek tot verklaring van beëindiging van de strafzaak tegen [verdachte (voornaam)] zal dan ook worden toegewezen.
Dictum
De rechtbank wijst het verzoek toe en verklaart dat de zaak met bovenvermeld parketnummer is geëindigd.
Deze beslissing is gegeven ter terechtzitting van 25 oktober 2024 door mr. L.M.G. de Weerd, voorzitter, tevens kinderrechter, mrs. N.M.H. van Ek en H.M. Vos, (kinder)rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. Gardenier als griffier en ondertekend door de voorzitter en de griffier.