Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-11-07
ECLI:NL:RBMNE:2024:6143
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
820 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/6299
uitspraak van voorzieningenrechter van 7 november 2024 in de zaak tussen
[verzoekster] , wonende in [plaats] , verzoekster,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrechtse Heuvelrug, het college.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het verzoek om een voorlopige voorziening dat verzoekster heeft ingediend op 8 oktober 2024 tegen het besluit van verweerder van 5 juni 2024 waarbij het besluit van 25 januari 2024 voor het reserveren van twee parkeerplekken ten behoeve van het opladen van elektrische voertuigen aan de [straat] in [plaats] in stand is gehouden.
Overwegingen
1. Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet griffierecht betalen. In een zaak als deze is het griffierecht € 187,-. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Dat betekent in dit verband dat het hele bedrag binnen die termijn is bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dat het binnen die termijn is betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald, verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als verzoekster een geldige reden heeft voor het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht.
2. De griffier heeft bij aangetekend verzonden brief van 11 oktober 2024 verzoekster in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen twee weken na dagtekening van die brief. De brief is op 15 oktober 2024 bij verzoekster bezorgd. Verzoekster heeft het griffierecht tot op vandaag niet betaald.
Verzoekster heeft geen geldige reden voor het niet (tijdig) betalen van het griffierecht gegeven.
3. Bij brief van 31 oktober 2024, door de rechtbank ontvangen op 4 november 2024, heeft verzoekster verzocht om uitstel te verlenen inzake de reactietermijnen betreffende zaaknummer UTR 24/6299, wegens (aanstaand) verblijf in het buitenland. De termijn voor het betalen van het griffierecht was op de datum van de brief al verstreken. Overigens is uit de brief geen beroep op betalingsonmacht op te maken. Er is dus geen geldige reden voor het verzuim gegeven. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening
niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J.M. Mol, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Janssens-Kleijn, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 november 2024.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak kunt u niet in hoger beroep of in verzet.
Dit is geregeld in artikel 8:82 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang gelezen met artikel 8:41, derde tot en met zesde lid van de Awb.