Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-10-31
ECLI:NL:RBMNE:2024:6121
Strafrecht
Raadkamer
383 tokens
Dictum
(artikel 69 Wetboek van Strafvordering)
in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [1997] te [geboorteplaats] ,
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres] , [woonplaats] .
Raadsvrouw mr. R.J. Jager.
Procedure
Op 30 oktober 2024 is op de griffie van deze rechtbank een verzoekschrift van de verdachte ingekomen dat strekt tot opheffing van de voorlopige hechtenis.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafdossier. Met instemming van de officier van justitie, de verdachte en zijn raadsvrouw is de zaak schriftelijk afgedaan.
Beoordeling
Bij brief van 25 oktober 2024 heeft de officier van justitie verdachte ervan in kennis gesteld dat de strafzaak jegens hem wordt geseponeerd vanwege het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Met de kennisgeving van de sepotbeslissing is het bevel tot voorlopige hechtenis reeds van rechtswege, namelijk op grond van artikel 70, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering geëindigd. De rechtbank zal daarom het verzoek niet-ontvankelijk verklaren.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis niet-ontvankelijk.
Deze beslissing is gegeven in raadkamer van deze rechtbank op 31 oktober 2024 door:
mr. E.H.M. Druijf, voorzitter,
mr. L.E. Verschoor-Bergsma en L. M. Rödel, rechters,
in tegenwoordigheid van K.N. Landman, griffier.