Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-10-16
ECLI:NL:RBMNE:2024:6094
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
952 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/3621
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 oktober 2024 in de zaak tussen
[eiser] , verblijvend in [verblijfplaats] , eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, het college
(gemachtigde: mr. T.B.H. Nguyen).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een dwangsombesluit door het college. In de uitspraak van de rechtbank van 26 maart 2024 heeft de rechtbank beslist dat het college uiterlijk 10 april 2024 een besluit bekend moest maken op het Woo-verzoek dat eiser op 5 augustus 2023 had ingediend. Daarbij heeft de rechtbank bepaald dat het college een dwangsom verbeurt voor elke dag waarmee hij deze termijn overschrijdt. Eiser wil dat het college hierover een besluit neemt.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling
1. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.
Is het beroep ontvankelijk en gegrond?
2. Als de betrokkene geen ingebrekestelling stuurt, is het beroep niet-ontvankelijk. Dit betekent dat de rechtbank het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet inhoudelijk kan beoordelen. In dit geval heeft eiser geen ingebrekestelling verstuurd. De rechtbank heeft eiser bij brief van 15 mei 2024 verzocht de ingebrekestelling over te leggen, maar dit heeft hij niet gedaan. Niet in te zien valt dat redelijkerwijs niet van eiser kon worden gevergd om het college mee te delen dat het in gebreke was een dwangsombesluit te nemen. Van een situatie als bedoeld in artikel 6:12, derde lid van de Awb is daarom geen sprake.
3. Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet kan beoordelen, waarbij de rechtbank ten overvloede opmerkt dat het college op 9 april 2024 een besluit heeft genomen op het Woo-verzoek, zodat het college geen dwangsom is verschuldigd.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J.M. Mol, rechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
UTR 23/5111.
Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.