Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-11-15
ECLI:NL:RBMNE:2024:6080
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
884 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/4605
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 november 2024 in de zaak tussen
[verzoekster] , te [woonplaats] , verzoeker,
(gemachtigde: ir. S. Boonstra),
en
het college van burgemeesters en wethouders van de gemeente Soest, verweerder.
Overwegingen
1. De rechtbank doet deze uitspraak zonder partijen voor een zitting uit te nodigen, omdat zij vindt dat zij voldoende informatie heeft om het verzoek te beoordelen.
2. Als het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift (dus aan verzoeker) tegemoet is gekomen, kan de rechtbank bepalen dat verweerder de proceskosten van de indiener van het beroepschrift moet betalen. Dat staat in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
3. Op 15 maart 2024 heeft de rechtbank de beslissing op bezwaar van 26 april 2023 vernietigd en verweerder opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Op
5 juli 2024 is verzoeker in beroep gegaan, omdat verweerder niet tijdig een nieuwe beslissing op bezwaar heeft genomen. Verweerder heeft op 12 juli 2024 alsnog een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Verweerder heeft dus gedaan wat verzoeker wilde. Verzoeker heeft op
9 augustus 2024 het beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor zijn proceskosten.
4. De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld binnen twee weken te reageren op het verzoek om veroordeling van de proceskosten. Verweerder heeft niet gereageerd op dit verzoek. Verweerder heeft in zijn nieuwe beslissing op bezwaar wel aangegeven dat verzoeker in aanmerking komt voor een proceskostenvergoeding.
5. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die verzoeker in verband met de behandeling van het beroep tot aan deze uitspraak heeft moeten maken.
6. De rechtbank stelt de proceskosten van verzoeker die verweerder moet betalen vast op
€ 218,75 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 0,25). Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden wordt een wegingsfactor van 0,25 toegepast.
7. Verweerder moet ook het griffierecht aan verzoeker betalen (artikel 8:41 Awb).
Dictum
De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 218,75 aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C.A. van Kuijeren, rechter, in aanwezigheid van
J.M.J. Kooistra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 november 2024.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.