Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-10-24
ECLI:NL:RBMNE:2024:6039
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,131 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/2933
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 oktober 2024 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. A.H.J. Emmen),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Soest
(gemachtigde: P. Dijkstra).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde belanghebbende 1] en [derde belanghebbende 2] uit [plaats] (derde-belanghebbenden)
(gemachtigde: mr. J.A. Mohuddy).
Inleiding
1. Deze zaak is begonnen met een verzoek om handhaving (op een vijftal onderdelen) door eiseres op het perceel [adres] in [plaats] (het perceel). Het college heeft derde-belanghebbenden als eigenaren van het perceel op 21 juli 2023 voor drie van de vijf onderdelen een last onder dwangsom (het primaire besluit) opgelegd.
1.1.
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het college om af te zien van handhavend optreden tegen de twee andere onderdelen. Dit betreft het zonder vergunning plaatsen van een laurierhaag aan de achterzijde van de woning op het perceel en het gebruik van de veldschuur op het perceel van derde-belanghebbenden.
1.2.
Met het bestreden besluit van 28 februari 2024 heeft het college het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard onder aanvulling van de motivering. Eiseres heeft vervolgens beroep ingesteld.
1.3.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Derde-belanghebbenden hebben geen nadere reactie ingediend, zij sluiten zich aan bij hetgeen in het verweerschrift is gesteld.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 3 oktober 2024 op zitting behandeld. Eiseres heeft zich daarbij laten vertegenwoordigen door haar dochter [dochter] en haar gemachtigde. Het college werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Van de kant van derde-belanghebbenden is [derde belanghebbende 2] verschenen, bijgestaan door de gemachtigde van derde-belanghebbenden.
Beoordeling
2. Op 1 januari 2024 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. Omdat het in deze zaak gaat over een bestuurlijke sanctie die vóór die datum is opgelegd, is in deze zaak de Wabo met de onderliggende regelingen nog van toepassing.
3. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak of het college terecht het handhavingsverzoek vanwege het in strijd met het bestemmingsplan plaatsen van een laurierhaag en gebruiken van de veldschuur op het perceel heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
4. Het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Omvang van het geding
5. Eiseres heeft het college verzocht om dwangsommen in te vorderen bij derde-belanghebbenden. Eiseres is van mening dat derde-belanghebbenden aan twee van de drie aan hen opgelegde lasten geen (voldoende) gevolg hebben gegeven. Het college heeft op 12 januari 2024 geweigerd een invorderingsbeschikking te nemen. Hij is van oordeel dat derde-belanghebbenden de overtredingen wel tijdig ongedaan hebben gemaakt, en dus aan de lasten hebben voldaan. Tegen deze weigering heeft eiseres bezwaar gemaakt. Het college heeft het bezwaar doorgestuurd naar de rechtbank omdat hij zich op het standpunt stelt dat het beroep tegen de weigering een last onder dwangsom op te leggen op grond van artikel 5:39, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van rechtswege mede betrekking heeft op de geweigerde invorderingsbeschikking.
6. De rechtbank stelt voorop dat de omvang van het geding zich beperkt tot het bestreden besluit. De last onder dwangsom waar het college naar verwijst bestaat in feite uit vijf deelbesluiten. Drie deelbesluiten hebben betrekking op onderdelen waarbij een last is opgelegd. Twee deelbesluiten zien juist op onderdelen waarbij géén last is opgelegd. De procedure bij de rechtbank ziet op deze laatste twee deelbesluiten. De weigering tot invordering ziet juist op twee van de drie onderdelen waarvoor het college wél een last heeft opgelegd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat artikel 5:39 lid 1 van de Awb hier niet van toepassing is, en de weigering om ten aanzien van de wel opgelegde lasten onder dwangsom tot invordering over te gaan buiten de omvang van deze procedure valt. De rechtbank laat die discussie daarom verder buiten beschouwing.
Ontvankelijkheid
7. Op de zitting is de belanghebbendheid van eiseres ter discussie gesteld. De rechtbank dient dit ook ambtshalve te beoordelen. Als eiseres geen belanghebbende is bij het besluit of geen procesbelang (meer) heeft, komt de rechtbank namelijk niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van dat beroep.
8. Het uitgangspunt is dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die een besluit toestaat, in beginsel belanghebbende is bij dat besluit. Dat wordt slechts anders wanneer er geen sprake is van feitelijke gevolgen van enige betekenis. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ is ook van toepassing in zaken waarin sprake is van een handhavingsbesluit, zoals hier. Gevolgen van enige betekenis ontbreken als de gevolgen wel zijn vast te stellen, maar de gevolgen van de activiteit voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt.
9. De rechtbank is van oordeel dat eiseres belanghebbende is. Bij percelen die grenzen aan het perceel waarover het besluit gaat of percelen die gelijk te stellen zijn met een aangrenzend perceel, wordt ervan uitgegaan dat feitelijke gevolgen, als die zich voordoen, in beginsel van enige betekenis zijn. Het perceel van eiseres grenst aan het perceel van derde-belanghebbenden. Alleen al daarom moet eiseres als belanghebbende worden aangemerkt. Eiseres is dan ook ontvankelijk in haar beroep.
De laurierhaag
10. Het deel van het perceel waarop de laurierhaag is geplant heeft op grond van het bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied’ (het bestemmingsplan) de enkelbestemming ‘tuin’ en, voor zover hier van belang, de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie – Waardevol gebied 2’ en ‘Waarde – Cultuurhistorie Gemeentelijk beschermd dorpsgezicht’.
11. Eiseres voert aan dat een laurierhaag diepwortelend is. Derde-belanghebbenden hebben geen omgevingsvergunning voor de laurierhaag en dit is op grond van het bestemmingsplan nodig bij diepwortelende beplanting. Dit volgt uit artikel 45.4.1, aanhef en onderdeel g (archeologie) en artikel 46.3.1, aanhef en onderdeel b (cultuurhistorie gemeentelijk beschermd dorpsgezicht) van de planregels bij het bestemmingsplan.
11. De rechtbank overweegt hierover als volgt. Artikel 8:69a van de Awb bepaalt dat de bestuursrechter een besluit niet mag vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. Er moet dus een verband bestaan tussen de door eiseres ingeroepen norm en het belang waarin eiseres door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. Dit wordt het relativiteitsvereiste genoemd.
13. De norm uit artikel 45.4.1, aanhef en onderdeel g van het bestemmingsplan waar eiseres zich in deze zaak op beroept strekt tot bescherming en veiligstelling van de in de grond aanwezige of verwachte archeologische waarden. Dit is een algemeen belang. Volgens vaste rechtspraak strekken die normen niet tot bescherming van de belangen waarvoor eiseres in deze procedure bescherming zoekt. Die belangen zijn immers gelegen in het behoud van een goed woon- en leefklimaat en dan met name (zoals eiseres ter zitting heeft toegelicht) het behoud van een vrij uitzicht. Naar het oordeel van de rechtbank geldt hetzelfde voor de (gelijkluidende) norm uit artikel 46.3.1, aanhef en onderdeel b van het bestemmingsplan. Ook ten aanzien daarvan valt niet in te zien dat die norm (het voorkomen van diepwortelende beplanting) strekt tot het behoud van een goed woon- en leefklimaat en het behoud van een vrij uitzicht voor eiseres. De beroepsgrond van eiseres stuit dan ook af op het relativiteitsvereiste, en hoeft daarom niet inhoudelijk te worden besproken.
De veldschuur
14. Het deel van het perceel waarop de veldschuur zich bevindt heeft op grond van het bestemmingsplan de enkelbestemming ‘Agrarisch met waarden’ en de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie – Middelhoge verwachting’ en ‘Waarde – Cultuurhistorie Gemeentelijk beschermd dorpsgezicht’, met functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – veldschuur’. De voor de enkelbestemming aangewezen gronden zijn onder andere bestemd voor ter plaatse van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – veldschuur’, een veldschuur. Een veldschuur is ‘een in het open veld of weiland aanwezig agrarisch gebouw, dat bestemd is voor agrarische opslag of voor stalling van dieren’.
15. Tussen partijen is in geschil of de veldschuur in strijd met het bestemmingsplan wordt gebruikt.
15. Eiseres voert in dat verband aan dat het college in het bestreden besluit ten onrechte voorbij is gegaan aan de niet-vergunde inrichting van de veldschuur. Die inrichting bestaat uit een bar, een kachel en een toilet. Het college en derde-belanghebbenden hebben er in dat verband op gewezen dat de inpandige voorzieningen niets veranderen aan de situering of constructieve onderdelen van de veldschuur. Naar de rechtbank begrijpt stelt eiseres zich echter op het standpunt dat die inpandige voorzieningen zijn bedoeld voor een ander gebruik dan waar het bestemmingsplan in voorziet, te weten agrarische opslag of voor stalling van dieren, en dat daarom sprake is van een overtreding van het verbod om zonder vergunning de veldschuur te gebruiken in strijd met het bestemmingsplan. Op de zitting heeft eiseres nog aangevoerd dat er feestjes en vergaderingen in de veldschuur worden gehouden en dat het veld voor volleybal wordt gebruikt. Ook dat gebruik is volgens eiseres in strijd met de bestemming.
Conclusie
18. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W.A. Schimmel, rechter, in aanwezigheid van mr. B.M.M. Tijink, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 24 oktober 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Dat volgt uit het overgangsrecht van artikel 4.23 van de Invoeringswet Omgevingswet.
Dat volgt uit artikel 8:1 van de Awb.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 15 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1671 en 2 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:641.
Respectievelijk de artikelen 30, 45 en 46 van de planregels bij het bestemmingsplan.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706.
Respectievelijk de artikelen 3, 43 en 46 van de planregels bij het bestemmingsplan.
Artikel 3.1 van de planregels van het bestemmingsplan.
Artikel 1.115 van de planregels van het bestemmingsplan.
Artikel 2.1, lid 1 onder c van de Wabo.