Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-10-21
ECLI:NL:RBMNE:2024:6035
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,194 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/2756
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 oktober 2024 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. J. Nijssen),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(gemachtigde: E.F. de Roy van Zuydewijn).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoekster om een veroordeling van het Uwv in de proceskosten.
1.1.
Het Uwv heeft met het besluit van 24 januari 2023 verzoekster een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) geweigerd. Met het besluit op bezwaar van 28 februari 2024 heeft het Uwv het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard.
1.2.
Het Uwv heeft op 12 september 2024 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Daarbij heeft het Uwv verzoekster met ingang van 22 december 2022 een Wajong-uitkering toegekend. Daarnaast heeft het Uwv bepaald dat de kosten die eiseres in bezwaar heeft moeten maken worden vergoed tot een bedrag van € 624,-.
1.3.
Verzoekster heeft het beroep op 23 september 2024 ingetrokken en de rechtbank verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten die zij in bezwaar en beroep heeft moeten maken.
1.4.
De rechtbank heeft het Uwv in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. Het Uwv heeft op 14 oktober 2024 de nieuwe beslissing op bezwaar van 12 september 2024 gewijzigd in die zin dat het Uwv heeft bepaald dat de proceskosten die eiseres in bezwaar heeft moeten maken worden vergoed tot een bedrag van € 1248,-.
1.5.
De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
Beoordeling
Proceskosten beroepsfase
2. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
3. Gelet op het hiervoor weergegeven procesverloop stelt de rechtbank vast dat het Uwv tegemoet is gekomen aan het beroep van verzoekster.
4. Het verzoek om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten wordt als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt het Uwv in de door verzoekster in beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.750,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 875,- met een wegingsfactor 1).
5. Uit het bepaalde in artikel 8:41, zevende lid, van de Awb volgt dat het Uwv verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 51,- te vergoeden. Dit volgt rechtstreeks uit de wet. Verzoekster zal zich hiervoor tot het Uwv moeten wenden.
Proceskosten bezwaarfase
6. Omdat het Uwv heeft toegezegd de proceskosten van € 1.248,- die verzoekster in de bezwaarfase heeft gemaakt te vergoeden zal de rechtbank zich over deze kosten niet uitlaten.
Dictum
De rechtbank veroordeelt het Uwv tot betaling van € 1.750,- aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van mr. G.M.T.M. Sips, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).