Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-10-17
ECLI:NL:RBMNE:2024:6027
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,339 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/5596
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 oktober 2024 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: [.] ),
en
Belastingdienst/Toeslagen
(gemachtigde: mr. [gemachtigde 1] en mr. [gemachtigde 2] ).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de tegemoetkoming die zij op grond van de kindregeling heeft ontvangen.
1.1.
Bij besluit van 8 maart 2023 (het primaire besluit) heeft Belastingdienst/Toeslagen eiseres ambtshalve een tegemoetkoming van € 10.000,- toegekend op grond van de kindregeling uit de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
1.2.
Met het bestreden besluit van 15 december 2023 op het bezwaar van eiseres is Belastingdienst/Toeslagen bij dat besluit gebleven.
1.3.
Belastingdienst/Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 23 juli 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van Belastingdienst/Toeslagen.
Beoordeling
2. De rechtbank oordeelt dat het beroep niet-ontvankelijk is, omdat het procesbelang ontbreekt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Heeft eiseres procesbelang?
3. Op zitting is vast komen te staan dat eiseres het inhoudelijk niet oneens is met het besluit van 8 maart 2023 en dat zij zich er ook van bewust is dat binnen de kaders van de kindregeling in de Wht de toekenning niet hoger kan zijn dan € 10.000,-. Eiseres heeft op de zitting naar voren gebracht dat zij met haar brief van 22 mei 2023 ook niet heeft beoogd bezwaar te maken tegen de hoogte van de uitkering. Zij heeft bedoeld Belastingdienst/Toeslagen aansprakelijk te stellen voor door haar geleden schade als gevolg van de toeslagaffaire. Volgens eiseres is haar procesbelang er in gelegen dat de rechtbank een uitspraak doet over de vraag of Belastingdienst/Toeslagen haar brief van 22 mei 2023 ten onrechte als bezwaarschrift heeft aangemerkt en heeft miskend dat met die brief aansprakelijkheidsstelling is beoogd.
4. Procesbelang houdt in dat iemand een resultaat nastreeft met de procedure dat ook daadwerkelijk kan worden bereikt met die procedure. Bovendien moet het realiseren van dat resultaat voor eiser feitelijk betekenis hebben. Het hebben van alleen een formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van procesbelang.
5. In deze zaak ligt het beroep van eiseres tegen de beslissing op bezwaar van 15 december 2023 voor. Indien de rechtbank zou oordelen dat haar brief van 22 mei 2023 ten onrechte als bezwaarschrift is aangemerkt, zou dit tot vernietiging van de beslissing op bezwaar moeten leiden. De rechtbank constateert dat dit niet is wat eiseres beoogt te bereiken. Op de zitting heeft eiseres toegelicht dat zij meent dat een oordeel over een eventuele onjuistheid of onrechtmatigheid in deze procedure behulpzaam kan zijn in een civiele procedure over de door haar geleden schade als gevolg van de toeslagenaffaire. De rechtbank volgt eiseres hier niet in. Daarbij overweegt de rechtbank dat de gestelde schade die eiseres bij de civiele rechter wil voorleggen, geen verband houdt met een eventuele onrechtmatigheid in deze procedure. Het doel dat eiseres wil bereiken, kan alleen al om die reden niet daadwerkelijk met deze procedure worden bereikt. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiseres geen procesbelang heeft en het beroep niet-ontvankelijk is.
Conclusie
6. Het beroep is niet-ontvankelijk. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, rechter, in aanwezigheid van D. Migchelsen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 oktober 2024.
de griffier is verhinderd om deze
uitspraak mede te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.