Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-10-23
ECLI:NL:RBMNE:2024:5967
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
942 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/177231-22 (ontneming)
Vonnis van de meervoudige kamer van 23 oktober 2024 op de vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
in de zaak tegen
[betrokkene]
,
geboren op [1972] te [geboorteplaats] ,ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres:
[adres] te [woonplaats] ,
hierna te noemen: betrokkene.
1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 9 oktober 2024.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. A.L. Rinsma en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. J.P.A. van Schaik, advocaat te Veenendaal, naar voren hebben gebracht.
2VORDERING
2.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft op 4 september 2024 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel, welk voordeel door de officier van justitie werd geschat op € 122.547,16.
Ter terechtzitting heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de vordering opgehoogd dient te worden en dat uitgegaan moet worden van de berekening zoals door de politie is gedaan in het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 13 maart 2018. De officier van justitie heeft gelet op het vorenstaande ter terechtzitting gevorderd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat op een bedrag van € 170.948,64.
2.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering afgewezen dient te worden, gelet op de bepleite vrijspraak ten aanzien van dit feit.
Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de vordering afgewezen dient te worden, omdat op basis van de aangetroffen situatie (een kale ruimte) geen beredeneerde schatting gemaakt kan worden van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Meer subsidiair voert de raadsman aan dat, gelet op het tijdsverloop, een compensatie zou moeten volgen ten aanzien van het ontnemingsbedrag.
2.3
Beoordeling
De rechtbank heeft betrokkene in de onderliggende strafzaak met parketnummer 16/177231-22 bij vonnis van 23 oktober 2024 vrijgesproken van het (onder 4 ten laste gelegde) feit op basis waarvan het wederrechtelijk verkregen voordeel is berekend. Gelet op deze vrijspraak kan niet worden vastgesteld dat betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen, zodat de rechtbank de vordering van de officier van justitie moet afwijzen.
Dictum
De rechtbank:
- wijst de vordering van de officier van justitie, strekkende tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M.M. Lemmen, voorzitter, mr. A.J. Reitsma en mr. J. Wiersma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.S.M. van Duinkerken, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 23 oktober 2024.
Mr. J. Wiersma en mr. G.S.M. van Duinkerken zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.