Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-02-07
ECLI:NL:RBMNE:2024:580
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
12,396 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Lelystad
Parketnummer: 16.063595-16
Vonnis van de meervoudige kamer van 7 februari 2024
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [1988] te [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres: [adres] te [woonplaats] (Marokko),
feitelijk verblijvende: [adres] , [woonplaats] ,
hierna te noemen: verdachte.
1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 24 januari 2024.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. M. Lousberg en van hetgeen de (gemachtigd) raadsvrouw van verdachte, mr.
J. van Wingerden, advocaat te Dordrecht, namens verdachte naar voren heeft gebracht.
2TENLASTELEGGING
De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er op neer dat:
1. primair
verdachte in de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 mei 2015 in Hilversum samen met een of meer anderen of alleen, [benadeelde] heeft opgelicht door [benadeelde] te bewegen geldbedragen (ter grootte van 20.229,19 euro) af te geven door valselijk verzoeken tot uitbetaling onder een andere naam dan zijn eigen naam op te stellen en te accorderen;
1. subsidiair
[medeverdachte] het hiervoor onder 1 primair omschreven feit heeft begaan en verdachte [medeverdachte] behulpzaam is geweest en/of [medeverdachte] gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft om dat feit te plegen door zijn bankrekening aan [medeverdachte] ter beschikking te stellen;
2
verdachte op of omstreeks 31 maart 2015 in Hilversum geldbedragen (ter grootte van 20.229,19 euro) heeft verkregen, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij op het moment van het verkrijgen van deze geldbedragen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat deze geldbedragen door misdrijf waren verkregen.
3VOORVRAGEN
De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4WAARDERING VAN HET BEWIJS
4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd verdachte vrij te spreken van het onder 1 primair tenlastegelegde. De officier van justitie acht het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 primair en subsidiair en het onder 2 ten laste gelegde.
4.3
Beoordeling
Vrijspraak feit 1 primair
Het dossier biedt geen aanknopingspunten voor de conclusie dat verdachte [benadeelde] heeft opgelicht door verzoeken tot uitbetaling van geldbedragen (door [benadeelde] ) valselijk op te stellen en/of te accorderen dan wel dat sprake zou zijn geweest van een ‘nauwe en bewuste samenwerking’ daartoe van verdachte met een of meer anderen. Uit het dossier komt naar voren dat medeverdachte [medeverdachte] degene is geweest die de onder 1 primair omschreven handelingen heeft verricht.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan. Verdachte zal van dit feit worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen feit 1 subsidiair en feit 2
Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis zal worden gehecht.
Bewijsoverweging en verwerping verweer
Op grond van de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder 1 subsidiair en onder 2 ten laste is gelegd, zoals hierna in rubriek 5 is omschreven.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat medeverdachte [medeverdachte] , destijds medewerker debiteuren bij [benadeelde] , op 1, 8 en 15 april 2015 geldbedragen van [benadeelde] tot een totaalbedrag van 20.229,19 euro heeft overgeboekt naar een bankrekening op naam van verdachte. Vervolgens hebben er meerdere aankopen van goud plaatsgevonden. Het van [benadeelde] afkomstige geld is van de bankrekening van verdachte afgeboekt en gebruikt voor de betaling van dit goud.
De verdediging heeft het verweer gevoerd dat het enkele feit dat verdachte geld op zijn rekening gestort heeft gekregen onvoldoende is voor het bewijs dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het behulpzaam zijn bij oplichting.
De rechtbank verwerpt het verweer. Immers is niet alleen geld op de bankrekening van verdachte gestort, maar dit geld is vervolgens van deze bankrekening afgeboekt en gebruikt voor de betaling van goud. Gesteld noch gebleken is dat een ander dan verdachte de beschikking had over de betreffende bankrekening, bijvoorbeeld na verlies of diefstal van een identiteitsbewijs, een bankpas, inlogcode en/of pincode. Het dossier bevat ook geen aanknopingspunten om aan te nemen dat iemand anders dan verdachte de beschikking had over de bankrekening van verdachte. Dit betekent dat het niet anders kan dan dat het verdachte zelf is geweest die (actief) handelingen heeft verricht die ertoe hebben geleid dat het van [benadeelde] afkomstige geld is gebruikt voor het aankopen van goud. Gelet op het voorgaande is het immers niet mogelijk dat dit buiten medeweten en medewerking van verdachte heeft plaatsgevonden. Naar het oordeel van de rechtbank is daarom bij verdachte sprake geweest van vol opzet.
Op grond van de bewijsmiddelen en voormelde bewijsoverwegingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zijn bankrekening aan medeverdachte [medeverdachte] ter beschikking heeft gesteld voor het overboeken van (van oplichting afkomstige) geldbedragen van [benadeelde] en wist verdachte op het moment dat hij de geldbedragen op zijn bankrekening heeft ontvangen dat deze van misdrijf afkomstig waren.
De rechtbank overweegt ten slotte dat in de tekst van de tenlastelegging van feit 2 als pleegperiode is opgenomen ‘op of omstreeks 31 maart 2015’. Gelet daarop vallen de op 1 april 2015 op de bankrekening van verdachte ontvangen geldbedragen van 5.799,00 euro en 2.830,19 euro wél onder de bewezenverklaring, maar de op 8 april 2015 en 15 april 2015 ontvangen bedragen niet. Laatstgenoemde data zijn te ver verwijderd van 31 maart 2015 om te worden aangemerkt als ‘omstreeks 31 maart 2015.’
5BEWEZENVERKLARING
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:
1. subsidiair[medeverdachte] in de periode tussen 1 januari 2015 tot en met 31 mei 2015 te Hilversum meermalen (telkens) met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en door listige kunstgrepen [benadeelde] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten een geldbedrag (ter grootte van 20.229,19 euro), hebbende die [medeverdachte] met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en listiglijk (zogenoemde) verzoeken tot uitbetalingen onder een andere naam dan zijn eigen naam opgesteld en geaccordeerd, bij het plegen van welk misdrijf verdachte toen daar opzettelijk behulpzaam is geweest door in die periode zijn bankrekening ter beschikking te stellen aan die [medeverdachte] ;
2verdachte omstreeks 31 maart 2015 te Hilversum meermalen een goed, te weten een geldbedrag ter grootte van 8.6292,19 euro, heeft verworven, voorhanden gehad en overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.
Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Hetgeen onder 1 subsidiair en 2 meer of anders ten laste is gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.
6STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 1 subsidiair en 2 bewezen verklaarde levert op:
De voortgezette handeling van:
medeplichtigheid aan oplichting
en
opzetheling, meermalen gepleegd.
7STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE
Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
8OPLEGGING VAN STRAF
8.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot:
- een gevangenisstraf van 3 maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren;
- een taakstraf van 60 uren, indien niet of niet naar behoren verricht te vervangen door 30 dagen hechtenis.
8.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft gesteld dat, gelet op de zeer beperkte rol van verdachte in het geheel, de omstandigheid dat de feiten zeer lang geleden hebben plaatsgevonden en de daarmee verband houdende aanzienlijke schending van de redelijke termijn van berechting, alsook het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, geen ruimte meer bestaat om aan verdachte een straf op te leggen. De raadsvrouw heeft bepleit om, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, de zaak af te doen met een schuldigverklaring van verdachte zonder oplegging van een straf. Voor het geval de rechtbank van oordeel is dat er nog wel een straf dient te volgen, heeft de raadsvrouw bepleit te volstaan met een geheel voorwaardelijke taakstraf met een proeftijd van 1 jaar.
8.3
Beoordeling
Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten, de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan oplichting en aan opzetheling. Van oplichting afkomstige geldbedragen zijn door een medeverdachte op een daartoe door verdachte beschikbaar gestelde bankrekening gestort en verdachte heeft de ontvangen gelden, waarvan hij wist dat deze van misdrijf afkomstig waren, overgeboekt en gebruikt voor de aankoop en betaling van goud.
De rechtbank rekent het verdachte aan dat zijn handelen gericht was op financieel voordeel voor zichzelf en/of de medeverdachte, door welk handelen [benadeelde] is benadeeld. Verdachte en de medeverdachte hebben ten koste van anderen op een makkelijke en snelle manier geld verkregen en hebben zich daarbij geen rekenschap gegeven van de schade die dit aan anderen heeft toegebracht.
De rechtbank houdt rekening met de omstandigheid dat de bewezenverklaarde feiten een voortgezette handeling in de zin van artikel 56 van het Wetboek van Strafrecht betreffen. Het beschikbaar stellen van een bankrekening waarop van misdrijf afkomstige gelden worden ontvangen en het gebruik van deze gelden voor de aankoop van andere goederen dienen immers te worden gezien als voortkomend uit één ongeoorloofd wilsbesluit. De rechtbank zal daarom toepassing geven aan het bepaalde in voornoemd artikel.
De rechtbank is van oordeel dat sprake is van ernstige feiten. Het schuldig verklaren van verdachte zonder oplegging van een straf of het volstaan met oplegging van een geheel voorwaardelijke taakstraf, zoals door de raadsvrouw is bepleit, doet onvoldoende recht aan de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en gaat voorbij aan het belang van normhandhaving. Deze voorstellen van de raadsvrouw zullen daarom worden gepasseerd.
Bij het bepalen van de straf en de strafmaat heeft de rechtbank gelet op straffen die in vergelijkbare zaken door rechters zijn opgelegd en op de oriëntatiepunten voor straftoemeting die zijn ontwikkeld door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht en die betrekking hebben op fraude (in algemene zin). In deze oriëntatiepunten wordt aansluiting gezocht bij de hoogte van het benadelingsbedrag. In geval van een benadelingsbedrag tot 10.000 euro geldt als richtlijn voor een op te leggen straf een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 week tot 2 maanden of een onvoorwaardelijke taakstraf. Bij een benadelingsbedrag tussen 10.000 en 70.000 euro geldt als richtlijn een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 2 tot 5 maanden of een onvoorwaardelijke taakstraf.
Op de door verdachte ter beschikking gestelde bankrekening zijn meerdere van oplichting afkomstige geldbedragen ontvangen tot een totaalbedrag van 20.229,19 euro (feit 1 subsidiair). Het bedrag dat onder de bewezenverklaarde opzetheling (feit 2) valt, is (als gevolg van de wijze van tenlastelegging) beperkt tot een bedrag van 8.629,19 euro.
De rechtbank houdt voorts rekening met een verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie (‘strafblad’) van 4 januari 2024, waaruit blijkt dat verdachte eerder voor strafbare feiten is veroordeeld, maar niet voor soortgelijke feiten als thans bewezen verklaard. Anderzijds wordt ook rekening gehouden met het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.
Gelet op al het voorgaande acht de rechtbank in beginsel oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een onvoorwaardelijke taakstraf passend en geboden.
De rechtbank ziet echter aanleiding het volgende te overwegen met betrekking tot het recht op berechting binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Blijkens vaste jurisprudentie bedraagt de redelijke termijn van berechting een periode van 24 maanden.
De termijn waarbinnen de berechting van verdachte heeft plaatsgevonden is aangevangen op 23 april 2016. Op deze datum is de dagvaarding in de onderhavige strafzaak aan verdachte in persoon betekend en vanaf dat moment wist verdachte dat het Openbaar Ministerie een strafrechtelijke vervolging tegen hem had ingesteld. De termijn eindigt op 7 februari 2024, de datum van dit vonnis. De rechtbank overweegt dat het op de weg van het Openbaar Ministerie ligt om een verdachte op de bij de wet voorgeschreven wijze op te roepen om ter zitting te verschijnen. In deze zaak is verdachte rechtsgeldig opgeroepen voor een zitting van 25 oktober 2016. De zaak is toen niet inhoudelijk behandeld en vervolgens heeft het tot 24 januari 2024 geduurd totdat de zaak inhoudelijk is behandeld. Tussendoor is de oproeping van verdachte drie keer op een onjuiste manier betekend en sinds 14 november 2017 zijn er door het Openbaar Ministerie helemaal geen (kenbare) inspanningen gedaan om de zaak op zitting te krijgen. Dat dit anders had gekund, blijkt uit het feit dat verdachte op 17 april 2020 door de Rechtbank Rotterdam is veroordeeld. De zeer lange periode dat deze strafzaak niet meer op zitting is behandeld, wordt toegerekend aan het Openbaar Ministerie dat andere stappen had moeten nemen om de zaak op zitting te brengen.
Uit het voorgaande volgt dat de termijn waarbinnen verdachte is berecht in totaal ruim 93 maanden bedraagt, hetgeen een zeer forse overschrijding van de redelijke termijn van berechting oplevert van ruim 69 maanden. De rechtbank zal met deze schending rekening houden in die zin dat de op te leggen gevangenisstraf niet in onvoorwaardelijke, maar in voorwaardelijke zin zal worden opgelegd. Aan deze voorwaardelijk op te leggen straf zal een beperkte proeftijd van 1 jaar worden verbonden.
Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 1 jaar in combinatie met een onvoorwaardelijke taakstraf van 60 uren passend en geboden is.
9BENADEELDE PARTIJ
9.1
De vordering
[benadeelde] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd.
In een schriftelijk ‘Verzoek tot Schadevergoeding’ van 13 april 2016 is een bedrag van 68.488,23 euro gevorderd ter vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Namens de benadeelde partij heeft mr. M. te Stroet, advocaat te Amsterdam, in een schrijven van 23 januari 2024 laten weten dat het volledige schadebedrag van 68.488,23 euro, inclusief wettelijke rente, door medeverdachte [medeverdachte] is betaald. De vordering is niet ingetrokken, zodat de rechtbank kan oordelen of ook verdachte hoofdelijk verplicht is tot vergoeding van dezelfde schade. De advocaat heeft de rechtbank verzocht om, indien verdachte wordt veroordeeld, een beslissing te geven over de kosten van rechtsbijstand van in totaal 2.451,18 euro, in die zin dat verdachte in deze kosten zal worden veroordeeld.
9.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering. De benadeelde partij heeft het gevorderde bedrag aan materiële kosten van 68.488,23 euro al van [medeverdachte] ontvangen.
Beoordeling
Materiële schade
De rechtbank overweegt ter zake de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van materiële schade ter hoogte van 68.488,23 euro het volgende.
Het volledige schadebedrag is, inclusief wettelijke rente, door medeverdachte [medeverdachte] aan de benadeelde partij voldaan. Het is daarom de vraag welk belang de benadeelde partij thans nog heeft bij veroordeling van verdachte tot betaling van hetzelfde bedrag ter vergoeding van schade. Het gestelde belang bij een aan verdachte op te leggen hoofdelijke verplichting tot vergoeding van hetzelfde schadebedrag is door de verdediging gemotiveerd betwist en door de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering voor dit deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.
Kosten rechtsbijstand
Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard in de vordering, zullen de proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat ieder de eigen kosten draagt.
10TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN
Dictum
De rechtbank:
Vrijspraak
- verklaart het onder 1 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;
Bewezenverklaring
- verklaart het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;
- verklaart het onder 1 subsidiair en 2 meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;
Strafbaarheid
- verklaart het onder 1 subsidiair en 2 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;
- verklaart verdachte strafbaar;
Oplegging straf
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 (twee) maanden;
- bepaalt dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;
- stelt daarbij een proeftijd van 1 (één) jaar vast;
- als voorwaarde geldt dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 60 (zestig) uren;
- beveelt dat voor het geval verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 30 dagen hechtenis;
Benadeelde partij
- verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- compenseert de proceskosten van de benadeelde partij en verdachte, in die zin dat ieder de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. H. den Haan, voorzitter, mrs. B.F. Hammerle en I.L. Gerrits, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.R. Horst, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 7 februari 2024.
Mrs. Hammerle en Horst zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage: de tenlastelegging
Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:
1hij in of omstreeks de periode tussen 1 januari 2015 tot en met 31 mei 2015 te Hilversum, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal (telkens) met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten een geldbedrag (ter grootte van 20.229,19 euro), hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid (zogenoemde) verzoeken tot uitbetalingen onder een andere naam dan zijn eigen naam opgesteld en/of geaccordeerd;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:[medeverdachte] in of omstreeks de periode tussen 1 januari 2015 tot en met 31 mei 2015 te Hilversum, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal (telkens) met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten een geldbedrag (ter grootte van 20.229,19 euro), hebbende die [medeverdachte] met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid (zogenoemde) verzoeken tot uitbetalingen onder een andere naam dan zijn eigen naam opgesteld en/of geaccordeerd, bij het plegen van welk misdrijf verdachte toen daar opzettelijk behulpzaam is geweest en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door in die periode zijn bankrekening ter beschikking te stellen aan die [medeverdachte] ;
2hij op of omstreeks 31 maart 2015 te Hilversum, althans in Nederland meermalen, althans eenmaal telkens een goed, te weten een geldbedrag (ter grootte van 20.229,19 euro) heeft verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van dit goed wist, altans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Lelystad
Parketnummer: 16.063595-16
Vonnis van de meervoudige kamer van 7 februari 2024
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [1988] te [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres: [adres] te [woonplaats] (Marokko),
feitelijk verblijvende: [adres] , [woonplaats] ,
hierna te noemen: verdachte.
1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 24 januari 2024.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. M. Lousberg en van hetgeen de (gemachtigd) raadsvrouw van verdachte, mr.
J. van Wingerden, advocaat te Dordrecht, namens verdachte naar voren heeft gebracht.
2TENLASTELEGGING
De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er op neer dat:
1. primair
verdachte in de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 mei 2015 in Hilversum samen met een of meer anderen of alleen, [benadeelde] heeft opgelicht door [benadeelde] te bewegen geldbedragen (ter grootte van 20.229,19 euro) af te geven door valselijk verzoeken tot uitbetaling onder een andere naam dan zijn eigen naam op te stellen en te accorderen;
1. subsidiair
[medeverdachte] het hiervoor onder 1 primair omschreven feit heeft begaan en verdachte [medeverdachte] behulpzaam is geweest en/of [medeverdachte] gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft om dat feit te plegen door zijn bankrekening aan [medeverdachte] ter beschikking te stellen;
2
verdachte op of omstreeks 31 maart 2015 in Hilversum geldbedragen (ter grootte van 20.229,19 euro) heeft verkregen, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij op het moment van het verkrijgen van deze geldbedragen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat deze geldbedragen door misdrijf waren verkregen.
3VOORVRAGEN
De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4WAARDERING VAN HET BEWIJS
4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd verdachte vrij te spreken van het onder 1 primair tenlastegelegde. De officier van justitie acht het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 primair en subsidiair en het onder 2 ten laste gelegde.
4.3
Beoordeling
Vrijspraak feit 1 primair
Het dossier biedt geen aanknopingspunten voor de conclusie dat verdachte [benadeelde] heeft opgelicht door verzoeken tot uitbetaling van geldbedragen (door [benadeelde] ) valselijk op te stellen en/of te accorderen dan wel dat sprake zou zijn geweest van een ‘nauwe en bewuste samenwerking’ daartoe van verdachte met een of meer anderen. Uit het dossier komt naar voren dat medeverdachte [medeverdachte] degene is geweest die de onder 1 primair omschreven handelingen heeft verricht.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan. Verdachte zal van dit feit worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen feit 1 subsidiair en feit 2
Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis zal worden gehecht.
Bewijsoverweging en verwerping verweer
Op grond van de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder 1 subsidiair en onder 2 ten laste is gelegd, zoals hierna in rubriek 5 is omschreven.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat medeverdachte [medeverdachte] , destijds medewerker debiteuren bij [benadeelde] , op 1, 8 en 15 april 2015 geldbedragen van [benadeelde] tot een totaalbedrag van 20.229,19 euro heeft overgeboekt naar een bankrekening op naam van verdachte. Vervolgens hebben er meerdere aankopen van goud plaatsgevonden. Het van [benadeelde] afkomstige geld is van de bankrekening van verdachte afgeboekt en gebruikt voor de betaling van dit goud.
De verdediging heeft het verweer gevoerd dat het enkele feit dat verdachte geld op zijn rekening gestort heeft gekregen onvoldoende is voor het bewijs dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het behulpzaam zijn bij oplichting.
De rechtbank verwerpt het verweer. Immers is niet alleen geld op de bankrekening van verdachte gestort, maar dit geld is vervolgens van deze bankrekening afgeboekt en gebruikt voor de betaling van goud. Gesteld noch gebleken is dat een ander dan verdachte de beschikking had over de betreffende bankrekening, bijvoorbeeld na verlies of diefstal van een identiteitsbewijs, een bankpas, inlogcode en/of pincode. Het dossier bevat ook geen aanknopingspunten om aan te nemen dat iemand anders dan verdachte de beschikking had over de bankrekening van verdachte. Dit betekent dat het niet anders kan dan dat het verdachte zelf is geweest die (actief) handelingen heeft verricht die ertoe hebben geleid dat het van [benadeelde] afkomstige geld is gebruikt voor het aankopen van goud. Gelet op het voorgaande is het immers niet mogelijk dat dit buiten medeweten en medewerking van verdachte heeft plaatsgevonden. Naar het oordeel van de rechtbank is daarom bij verdachte sprake geweest van vol opzet.
Op grond van de bewijsmiddelen en voormelde bewijsoverwegingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zijn bankrekening aan medeverdachte [medeverdachte] ter beschikking heeft gesteld voor het overboeken van (van oplichting afkomstige) geldbedragen van [benadeelde] en wist verdachte op het moment dat hij de geldbedragen op zijn bankrekening heeft ontvangen dat deze van misdrijf afkomstig waren.
De rechtbank overweegt ten slotte dat in de tekst van de tenlastelegging van feit 2 als pleegperiode is opgenomen ‘op of omstreeks 31 maart 2015’. Gelet daarop vallen de op 1 april 2015 op de bankrekening van verdachte ontvangen geldbedragen van 5.799,00 euro en 2.830,19 euro wél onder de bewezenverklaring, maar de op 8 april 2015 en 15 april 2015 ontvangen bedragen niet. Laatstgenoemde data zijn te ver verwijderd van 31 maart 2015 om te worden aangemerkt als ‘omstreeks 31 maart 2015.’
5BEWEZENVERKLARING
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:
1. subsidiair[medeverdachte] in de periode tussen 1 januari 2015 tot en met 31 mei 2015 te Hilversum meermalen (telkens) met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en door listige kunstgrepen [benadeelde] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten een geldbedrag (ter grootte van 20.229,19 euro), hebbende die [medeverdachte] met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en listiglijk (zogenoemde) verzoeken tot uitbetalingen onder een andere naam dan zijn eigen naam opgesteld en geaccordeerd, bij het plegen van welk misdrijf verdachte toen daar opzettelijk behulpzaam is geweest door in die periode zijn bankrekening ter beschikking te stellen aan die [medeverdachte] ;
2verdachte omstreeks 31 maart 2015 te Hilversum meermalen een goed, te weten een geldbedrag ter grootte van 8.6292,19 euro, heeft verworven, voorhanden gehad en overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.
Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Hetgeen onder 1 subsidiair en 2 meer of anders ten laste is gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.
6STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 1 subsidiair en 2 bewezen verklaarde levert op:
De voortgezette handeling van:
medeplichtigheid aan oplichting
en
opzetheling, meermalen gepleegd.
7STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE
Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
8OPLEGGING VAN STRAF
8.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot:
- een gevangenisstraf van 3 maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren;
- een taakstraf van 60 uren, indien niet of niet naar behoren verricht te vervangen door 30 dagen hechtenis.
8.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft gesteld dat, gelet op de zeer beperkte rol van verdachte in het geheel, de omstandigheid dat de feiten zeer lang geleden hebben plaatsgevonden en de daarmee verband houdende aanzienlijke schending van de redelijke termijn van berechting, alsook het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, geen ruimte meer bestaat om aan verdachte een straf op te leggen. De raadsvrouw heeft bepleit om, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, de zaak af te doen met een schuldigverklaring van verdachte zonder oplegging van een straf. Voor het geval de rechtbank van oordeel is dat er nog wel een straf dient te volgen, heeft de raadsvrouw bepleit te volstaan met een geheel voorwaardelijke taakstraf met een proeftijd van 1 jaar.
8.3
Beoordeling
Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten, de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan oplichting en aan opzetheling. Van oplichting afkomstige geldbedragen zijn door een medeverdachte op een daartoe door verdachte beschikbaar gestelde bankrekening gestort en verdachte heeft de ontvangen gelden, waarvan hij wist dat deze van misdrijf afkomstig waren, overgeboekt en gebruikt voor de aankoop en betaling van goud.
De rechtbank rekent het verdachte aan dat zijn handelen gericht was op financieel voordeel voor zichzelf en/of de medeverdachte, door welk handelen [benadeelde] is benadeeld. Verdachte en de medeverdachte hebben ten koste van anderen op een makkelijke en snelle manier geld verkregen en hebben zich daarbij geen rekenschap gegeven van de schade die dit aan anderen heeft toegebracht.
De rechtbank houdt rekening met de omstandigheid dat de bewezenverklaarde feiten een voortgezette handeling in de zin van artikel 56 van het Wetboek van Strafrecht betreffen. Het beschikbaar stellen van een bankrekening waarop van misdrijf afkomstige gelden worden ontvangen en het gebruik van deze gelden voor de aankoop van andere goederen dienen immers te worden gezien als voortkomend uit één ongeoorloofd wilsbesluit. De rechtbank zal daarom toepassing geven aan het bepaalde in voornoemd artikel.
De rechtbank is van oordeel dat sprake is van ernstige feiten. Het schuldig verklaren van verdachte zonder oplegging van een straf of het volstaan met oplegging van een geheel voorwaardelijke taakstraf, zoals door de raadsvrouw is bepleit, doet onvoldoende recht aan de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en gaat voorbij aan het belang van normhandhaving. Deze voorstellen van de raadsvrouw zullen daarom worden gepasseerd.
Bij het bepalen van de straf en de strafmaat heeft de rechtbank gelet op straffen die in vergelijkbare zaken door rechters zijn opgelegd en op de oriëntatiepunten voor straftoemeting die zijn ontwikkeld door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht en die betrekking hebben op fraude (in algemene zin). In deze oriëntatiepunten wordt aansluiting gezocht bij de hoogte van het benadelingsbedrag. In geval van een benadelingsbedrag tot 10.000 euro geldt als richtlijn voor een op te leggen straf een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 week tot 2 maanden of een onvoorwaardelijke taakstraf. Bij een benadelingsbedrag tussen 10.000 en 70.000 euro geldt als richtlijn een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 2 tot 5 maanden of een onvoorwaardelijke taakstraf.
Op de door verdachte ter beschikking gestelde bankrekening zijn meerdere van oplichting afkomstige geldbedragen ontvangen tot een totaalbedrag van 20.229,19 euro (feit 1 subsidiair). Het bedrag dat onder de bewezenverklaarde opzetheling (feit 2) valt, is (als gevolg van de wijze van tenlastelegging) beperkt tot een bedrag van 8.629,19 euro.
De rechtbank houdt voorts rekening met een verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie (‘strafblad’) van 4 januari 2024, waaruit blijkt dat verdachte eerder voor strafbare feiten is veroordeeld, maar niet voor soortgelijke feiten als thans bewezen verklaard. Anderzijds wordt ook rekening gehouden met het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.
Gelet op al het voorgaande acht de rechtbank in beginsel oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een onvoorwaardelijke taakstraf passend en geboden.
De rechtbank ziet echter aanleiding het volgende te overwegen met betrekking tot het recht op berechting binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Blijkens vaste jurisprudentie bedraagt de redelijke termijn van berechting een periode van 24 maanden.
De termijn waarbinnen de berechting van verdachte heeft plaatsgevonden is aangevangen op 23 april 2016. Op deze datum is de dagvaarding in de onderhavige strafzaak aan verdachte in persoon betekend en vanaf dat moment wist verdachte dat het Openbaar Ministerie een strafrechtelijke vervolging tegen hem had ingesteld. De termijn eindigt op 7 februari 2024, de datum van dit vonnis. De rechtbank overweegt dat het op de weg van het Openbaar Ministerie ligt om een verdachte op de bij de wet voorgeschreven wijze op te roepen om ter zitting te verschijnen. In deze zaak is verdachte rechtsgeldig opgeroepen voor een zitting van 25 oktober 2016. De zaak is toen niet inhoudelijk behandeld en vervolgens heeft het tot 24 januari 2024 geduurd totdat de zaak inhoudelijk is behandeld. Tussendoor is de oproeping van verdachte drie keer op een onjuiste manier betekend en sinds 14 november 2017 zijn er door het Openbaar Ministerie helemaal geen (kenbare) inspanningen gedaan om de zaak op zitting te krijgen. Dat dit anders had gekund, blijkt uit het feit dat verdachte op 17 april 2020 door de Rechtbank Rotterdam is veroordeeld. De zeer lange periode dat deze strafzaak niet meer op zitting is behandeld, wordt toegerekend aan het Openbaar Ministerie dat andere stappen had moeten nemen om de zaak op zitting te brengen.
Uit het voorgaande volgt dat de termijn waarbinnen verdachte is berecht in totaal ruim 93 maanden bedraagt, hetgeen een zeer forse overschrijding van de redelijke termijn van berechting oplevert van ruim 69 maanden. De rechtbank zal met deze schending rekening houden in die zin dat de op te leggen gevangenisstraf niet in onvoorwaardelijke, maar in voorwaardelijke zin zal worden opgelegd. Aan deze voorwaardelijk op te leggen straf zal een beperkte proeftijd van 1 jaar worden verbonden.
Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 1 jaar in combinatie met een onvoorwaardelijke taakstraf van 60 uren passend en geboden is.
9BENADEELDE PARTIJ
9.1
De vordering
[benadeelde] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd.
In een schriftelijk ‘Verzoek tot Schadevergoeding’ van 13 april 2016 is een bedrag van 68.488,23 euro gevorderd ter vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Namens de benadeelde partij heeft mr. M. te Stroet, advocaat te Amsterdam, in een schrijven van 23 januari 2024 laten weten dat het volledige schadebedrag van 68.488,23 euro, inclusief wettelijke rente, door medeverdachte [medeverdachte] is betaald. De vordering is niet ingetrokken, zodat de rechtbank kan oordelen of ook verdachte hoofdelijk verplicht is tot vergoeding van dezelfde schade. De advocaat heeft de rechtbank verzocht om, indien verdachte wordt veroordeeld, een beslissing te geven over de kosten van rechtsbijstand van in totaal 2.451,18 euro, in die zin dat verdachte in deze kosten zal worden veroordeeld.
9.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering. De benadeelde partij heeft het gevorderde bedrag aan materiële kosten van 68.488,23 euro al van [medeverdachte] ontvangen.
Beoordeling
Materiële schade
De rechtbank overweegt ter zake de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van materiële schade ter hoogte van 68.488,23 euro het volgende.
Het volledige schadebedrag is, inclusief wettelijke rente, door medeverdachte [medeverdachte] aan de benadeelde partij voldaan. Het is daarom de vraag welk belang de benadeelde partij thans nog heeft bij veroordeling van verdachte tot betaling van hetzelfde bedrag ter vergoeding van schade. Het gestelde belang bij een aan verdachte op te leggen hoofdelijke verplichting tot vergoeding van hetzelfde schadebedrag is door de verdediging gemotiveerd betwist en door de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering voor dit deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.
Kosten rechtsbijstand
Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard in de vordering, zullen de proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat ieder de eigen kosten draagt.
10TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN
Dictum
De rechtbank:
Vrijspraak
- verklaart het onder 1 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;
Bewezenverklaring
- verklaart het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;
- verklaart het onder 1 subsidiair en 2 meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;
Strafbaarheid
- verklaart het onder 1 subsidiair en 2 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;
- verklaart verdachte strafbaar;
Oplegging straf
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 (twee) maanden;
- bepaalt dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;
- stelt daarbij een proeftijd van 1 (één) jaar vast;
- als voorwaarde geldt dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 60 (zestig) uren;
- beveelt dat voor het geval verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 30 dagen hechtenis;
Benadeelde partij
- verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- compenseert de proceskosten van de benadeelde partij en verdachte, in die zin dat ieder de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. H. den Haan, voorzitter, mrs. B.F. Hammerle en I.L. Gerrits, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.R. Horst, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 7 februari 2024.
Mrs. Hammerle en Horst zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage: de tenlastelegging
Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:
1hij in of omstreeks de periode tussen 1 januari 2015 tot en met 31 mei 2015 te Hilversum, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal (telkens) met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten een geldbedrag (ter grootte van 20.229,19 euro), hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid (zogenoemde) verzoeken tot uitbetalingen onder een andere naam dan zijn eigen naam opgesteld en/of geaccordeerd;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:[medeverdachte] in of omstreeks de periode tussen 1 januari 2015 tot en met 31 mei 2015 te Hilversum, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal (telkens) met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten een geldbedrag (ter grootte van 20.229,19 euro), hebbende die [medeverdachte] met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid (zogenoemde) verzoeken tot uitbetalingen onder een andere naam dan zijn eigen naam opgesteld en/of geaccordeerd, bij het plegen van welk misdrijf verdachte toen daar opzettelijk behulpzaam is geweest en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door in die periode zijn bankrekening ter beschikking te stellen aan die [medeverdachte] ;
2hij op of omstreeks 31 maart 2015 te Hilversum, althans in Nederland meermalen, althans eenmaal telkens een goed, te weten een geldbedrag (ter grootte van 20.229,19 euro) heeft verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van dit goed wist, altans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.