Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-10-02
ECLI:NL:RBMNE:2024:5698
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,463 tokens
Inleiding
RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/564622 / HA ZA 23-665
Vonnis van 2 oktober 2024
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats 1] ,
eisende partij,
advocaat: mr. H.P. Plas,
tegen
1 [gedaagde sub 1] B.V., 2. [gedaagde sub 2] B.V.,
beide gevestigd in [vestigingsplaats 2] ,3. [gedaagde sub 3],
wonende in [woonplaats] ,
gedaagde partijen,
advocaat: mr. W.P. Wijers.
Eiseres zal hierna [eiseres] worden genoemd. Gedaagden worden afzonderlijk [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] genoemd en samen [gedaagde sub 1] c.s. (vrouwelijk enkelvoud).
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 17 oktober 2023 met producties 1 t/m 11;
- de conclusie van antwoord met producties 1 t/m 10;
- de mondelinge behandeling van 23 mei 2024;
- de ter zitting overgelegde spreekaantekeningen van [eiseres] ;
- de ter zitting overgelegde spreekaantekeningen van [gedaagde sub 1] c.s.
1.2.
Ten slotte is bepaald dat vandaag het vonnis zal worden uitgesproken.
2Kern van de zaak
2.1.
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 19 juli 2022 (ECLI:NL:GHARL:2022:6168) [gedaagde sub 1] c.s. veroordeeld tot vergoeding van alle door [bedrijfsnaam 1] B.V. (“[bedrijfsnaam 1]”) geleden en nog te lijden schade door het ernstig verwijtbaar handelen door [gedaagde sub 1] c.s. [eiseres] is de rechtsopvolger van [bedrijfsnaam 1] . Deze (schadestaat)procedure bij de rechtbank gaat over het vaststellen van de hoogte van de schade van [eiseres] .
3De achtergrond van het geschil
3.1.
[bedrijfsnaam 2] B.V. (“[bedrijfsnaam 2]”) is een joint venture, opgericht door [bedrijfsnaam 1] en [gedaagde sub 1] . [bedrijfsnaam 1] en [gedaagde sub 1] hielden beide vijftig procent van de aandelen in [bedrijfsnaam 2] . Vanaf de oprichting van [bedrijfsnaam 2] in 2001, was [gedaagde sub 1] bestuurder van [bedrijfsnaam 2] . Enig bestuurder en enig aandeelhouder van [gedaagde sub 1] is [gedaagde sub 2] . Enig bestuurder en aandeelhouder van [gedaagde sub 2] is [gedaagde sub 3] .
3.2.
Op enig moment zijn de verhoudingen tussen [gedaagde sub 1] en [bedrijfsnaam 1] verstoord geraakt. Bij [bedrijfsnaam 1] was wantrouwen ontstaan over het bestuurlijk functioneren van [gedaagde sub 1] . Dit wantrouwen heeft geleid tot het indienen van een enquêteverzoek bij de Ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam. Tijdens de mondelinge behandeling in deze procedure op 11 mei 2017 is [gedaagde sub 1] afgetreden als bestuurder van [bedrijfsnaam 2] en is [bedrijfsnaam 1] als bestuurder benoemd.
3.3.
Daarnaast hebben partijen een procedure gevoerd over de wijze van aflossing van de rekening-courantfinanciering. Er was sprake van een financieringsconstructie waarbij [bedrijfsnaam 1] 75% en [gedaagde sub 1] 25% van de liquiditeitsbehoefte van [bedrijfsnaam 2] financierde via een rekening-courant en uiteindelijk heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden onder andere geoordeeld dat de rekening-courantschuld ook in deze verhouding (3:1) had moeten worden afgelost door [bedrijfsnaam 2] en dat [gedaagde sub 1] c.s. – in haar hoedanigheid van (in)direct bestuurder van [bedrijfsnaam 2] – dit ten onrechte niet heeft gedaan en hierdoor onrechtmatig tegenover [bedrijfsnaam 1] heeft gehandeld. Het gerechtshof heeft vervolgens [gedaagde sub 1] c.s. veroordeeld om alle door [bedrijfsnaam 1] geleden en nog te lijden schade als gevolg hiervan te vergoeden.
Beoordeling
Vermindering van eis door [eiseres]
4.1.
De oorspronkelijke eis van [eiseres] bestond uit vier verschillende posten (exclusief wettelijke rente), namelijk een vergoeding van:
schade uit aflossingen, ter hoogte van € 256.900,80,
schade door het overhevelen van vorderingen, ter hoogte van € 117.079,23,
schade door schikkingen, ter hoogte van € 75.000 en
kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid, ter hoogte van € 8.454,88.
4.2.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiseres] haar eis voorwaardelijk verminderd. De eis die staat onder 2 in bovenstaand overzicht laat [eiseres] vallen.
4.3.
Daarnaast maakt de rechtbank uit het standpunt van [eiseres] op dat zij haar eis die staat onder 3 ook laat vallen. [eiseres] noemt namelijk in haar spreekaantekeningen dat de enige post waarover partijen het niet (helemaal) eens zijn de post voordeelstoerekening betreft en [eiseres] zegt vervolgens in te willen stemmen met de door [gedaagde sub 1] c.s. aangevoerde vermindering van de voordeelstoerekening van € 75.000 naar € 70.000.
4.4.
De rechtbank begrijpt deze stelling van [eiseres] zo dat [eiseres] in het kader van haar voorwaardelijke eisvermindering instemt met het standpunt van [gedaagde sub 1] c.s. dat de schade onder 3 niet € 75.000 bedraagt, maar € 5.000 en dat [eiseres] dit bedrag vervolgens verrekent met het door haar ontvangen voordeel van € 75.000. Waardoor de vordering tot schadevergoeding onder 3 teniet gaat en het door [bedrijfsnaam 1] ontvangen voordeel niet € 75.000, maar € 70.000 bedraagt.
4.5.
[eiseres] vordert na haar voorwaardelijke vermindering van eis:
i) hoofdelijke veroordeling van [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] tot betaling van € 243.575,84;
ii) hoofdelijke veroordeling van [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] tot betaling van € 8.454,88;
te vermeerderen met rente en kosten.
4.6.
Het bedrag onder (i) bestaat uit de schade die is genoemd in 4.1, onder 1, verminderd met het door [bedrijfsnaam 1] genoten voordeel en vermeerderd met de wettelijke rente.
(i) Schade uit aflossingen: € 186.900,80 (exclusief wettelijke rente)
4.7.
Partijen zijn het erover eens dat de schade uit aflossingen in beginsel € 256.900,80 (exclusief wettelijke rente) bedraagt. Weliswaar noemt [eiseres] in haar spreekaantekeningen een bedrag van € 256.909,80, maar de rechtbank gaat ervan uit dat dit een kennelijke vergissing is.
4.8.
Partijen zijn het er ook over eens dat door [bedrijfsnaam 1] genoten voordeel in mindering moet worden gebracht op de door [eiseres] gevorderde schade. In 2019 heeft [bedrijfsnaam 2] namelijk een bedrag van € 300.000 ontvangen voor de verkoop van appartementsrechten. [bedrijfsnaam 2] heeft dit bedrag op 2 september 2019 aangewend als aflossing op de schuld aan [bedrijfsnaam 1] in rekening-courant. Volgens het gerechtshof moet bij de berekening van de schade met dit bedrag rekening worden gehouden, omdat dit bedrag groter was dan wanneer wel altijd volgens de juiste verhouding (3:1) zou zijn afgelost. In dat geval had [bedrijfsnaam 1] namelijk niet € 300.000 ontvangen, maar € 225.000. Het meerdere (€ 75.000) kan volgens het gerechtshof als extra aflossing op de schade worden beschouwd.
4.9.
Na verrekening, bedraagt het door [bedrijfsnaam 1] genoten voordeel volgens [eiseres] € 70.000. Dit voordeel moet in mindering worden gebracht op de schade uit aflossingen (€ 256.900,80). Dit betekent dat de totale schade van [eiseres] door aflossingen in een verkeerde verhouding (exclusief wettelijke rente) € 186.900,80 bedraagt. Hierover zijn partijen het ook eens.
Schade uit aflossingen: wettelijke rente
4.10.
Op grond van artikel 6:119 BW is de schuldenaar de wettelijke rente verschuldigd over de tijd dat zij met de voldoening van een geldsom in verzuim is geweest. Bij een schadevergoedingsverbintenis op grond van onrechtmatige daad treedt het verzuim zonder ingebrekestelling in (artikel 6:83 sub b).
4.11.
Nu niet per transactie in de rekening-couranten is vastgesteld of ze al dan niet als aflossing classificeren, is door [eiseres] in de schadebegroting voor het bepalen van de aflossingen aangesloten bij de afname van de rekening-courantstanden per boekjaar. De verschuldigde rente wordt door [eiseres] berekend alsof alle aflossingen in een jaar op 31 december van het betreffende boekjaar zijn gedaan. Hiertegen is door [gedaagde sub 1] c.s. geen verweer gevoerd. De rechtbank zal deze methodiek daarom ook volgen.
4.12.
Volgens [eiseres] bedraagt de wettelijke rente € 62.664,23. Volgens [gedaagde sub 1] c.s. bedraagt de wettelijke rente minder, namelijk € 44.213,11. Dit komt omdat [gedaagde sub 1] c.s. de wettelijke rente over een lager bedrag berekent dan [eiseres] : [gedaagde sub 1] c.s. trekt de extra aflossing van € 75.000 namelijk eerst af van de totale schade die [eiseres] stelt te hebben geleden in het kalenderjaar 2012 en berekent vervolgens daarover de wettelijke rente. [eiseres] berekent de wettelijke rente per jaar tot aan 30 mei 2023 (de datum van het schadebegrotingsrapport) en trekt vervolgens van het totaal de extra aflossing af.
4.13.
De rechtbank oordeelt dat de wettelijke rente over de respectieve deelschades moet worden berekend vanaf 31 december van het jaar waarin elke desbetreffende deelschade is ontstaan tot 2 september 2019, de datum waarop [bedrijfsnaam 1] een voordeel van (per saldo) € 70.000,00 heeft ontvangen. Over de deelschade van 2012, zijnde € 152.378,00, moet dus wettelijke rente worden berekend over de periode van 31 december 2012 tot 2 september 2019. Over de deelschade van 2013, zijnde € 63.159,75, moet de wettelijke rente worden berekend over de periode van 31 december 2013 tot 2 september 2019. Zo moet de wettelijke rente ook worden berekend over de deelschades van 2014 (€ 35.894,25), 2015 (€ 2.393,25) en 2016 (€ 3.075,55).
4.14.
Op het totaalbedrag inclusief wettelijke rente dat op 2 september 2019 is ontstaan, moet vervolgens het voordeel (na verrekening) van € 70.000 in mindering worden gebracht in overeenstemming met artikel 6:44 BW. Over de hoofdsom die na aftrek resteert, is [gedaagde sub 1] c.s. de wettelijke rente verschuldigd vanaf 2 september 2019 tot de dag van volledige betaling.
(ii) De kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid
4.15.
[eiseres] maakt op grond van artikel 6:96 lid 2 sub b BW aanspraak op vergoeding van de kosten die [forensische onderzoeker] bij [eiseres] in rekening heeft gebracht voor de door haar opgestelde schadebegroting. Deze kosten bedragen € 8.454,80. Volgens [gedaagde sub 1] c.s. komen deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking, gelet op de “grote fouten die gemaakt zijn”.
4.16.
De rechtbank oordeelt dat deze kosten deels voor vergoeding in aanmerking komen, namelijk voor de helft (€ 4.227,40). Het is redelijk dat [eiseres] een derde heeft ingeschakeld om de schade te begroten, maar het is niet redelijk dat [gedaagde sub 1] c.s. de volledige kosten van het rapport moet dragen. Een deel van het rapport is namelijk niet langer meer relevant na de voorwaardelijke vermindering van eis. Over het toegewezen bedrag zal rente worden toegekend als gevorderd.
Het beroep van [gedaagde sub 1] c.s. op de vermindering van haar vergoedingsplicht als bedoeld in artikel 6:101 BW slaagt niet
4.17.
[gedaagde sub 1] c.s.
Dictum
De rechtbank
5.1.
veroordeelt [gedaagde sub 1] c.s. hoofdelijk om aan [eiseres] te betalen een hoofdsom van € 256.900,80, te vermeerderen met de wettelijke rente tot 2 september 2019 als bedoeld in artikel 6:119 BW, berekend zoals is beschreven in 4.13 van dit vonnis, waarna het totaal wordt verminderd met € 70.000,00 zoals omschreven in 4.14 van dit vonnis, waarna over de resterende hoofdsom wettelijke rente is verschuldigd als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 2 september 2019 tot de dag van voldoening;
5.2.
veroordeelt [gedaagde sub 1] c.s. hoofdelijk om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 4.227,40, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van 13 april 2023 tot aan de dag van voldoening;
5.3.
veroordeelt [gedaagde sub 1] c.s. hoofdelijk om de proceskosten van € 13.025,72, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde sub 1] c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.4.
veroordeelt [gedaagde sub 1] c.s. hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
5.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. D. Wachter en in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2024.
EM 5792