Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-09-10
ECLI:NL:RBMNE:2024:5683
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
965 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/5452
uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 september 2024 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster. Het verzoek richt zich tegen een verbeuringsbrief van 8 juli 2024, waarin verweerder laat weten dat de met het besluit van 19 april 2024 opgelegde last onder dwangsom van € 10.000,- van rechtswege is verbeurd. Verzoekster vraagt de voorzieningenrechter deze verbeuringsbrief, maar ook alle andere opgelegde lasten en boetes te schorsen en zij verzoekt om toekenning van een schadevergoeding.
2. Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.
Beoordeling
Toetsingskader
3. Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet griffierecht betalen. Dit is geregeld in artikel 8:82 van de Awb in samenhang met artikel 8:41 van de Awb. In een zaak als deze is het griffierecht € 187.
4. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Dat betekent in dit verband dat het hele bedrag binnen die termijn is bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dat het binnen die termijn is betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald, verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is.
Heeft verzoekster het griffierecht (tijdig) betaald?
5. De griffier heeft bij aangetekend verzonden brief van 21 augustus 2024 verzoekster in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen twee weken na dagtekening van die brief. De voorzieningenrechter stelt vast dat uit de track & trace-gegevens van PostNL blijkt dat de aangetekende nota naar het juiste adres is verzonden, maar dat deze brief op 23 augustus 2024 niet bezorgd kon worden op dit adres. De brief is vervolgens op 26 augustus 2024 bezorgd bij een PostNL-punt. Daar is de brief op 31 augustus 2024 afgehaald. Verzoekster heeft daarna het griffierecht niet betaald.
Is het niet tijdig betalen verontschuldigbaar?
6. Verzoekster heeft geen reden gegeven voor dit verzuim en zij heeft ook niet gereageerd op de brief van de griffier van 21 augustus 2024. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken.
Conclusie
7. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. van der Linde, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.C.J. van der Hoorn, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 10 september 2024.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.