Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-09-25
ECLI:NL:RBMNE:2024:5665
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,482 tokens
Inleiding
RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11030064 \ UC EXPL 24-2316
Vonnis van 25 september 2024
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres]
gemachtigde: De Ruijter & Willemsen gerechtsdeurwaarders en incasso B.V.,
tegen
[gedaagde] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding - de conclusie van antwoord - de conclusie van repliek - de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is bepaald dat vandaag het vonnis zal worden uitgesproken.
2Kern van de zaak
2.1.
[gedaagde] heeft een cursus afgenomen bij [eiseres] voor een bedrag van € 440,44. [gedaagde] had deze cursus in eerste instantie niet betaald, maar heeft inmiddels een aantal deelbetalingen gedaan (in totaal € 450,00) waardoor [eiseres] haar eis heeft verminderd met dit bedrag. Deze deelbetalingen strekken, in afwijking van artikel 6:44 BW, in mindering op de hoofdsom. Er resteert daarom alleen nog maar een vordering tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten (€ 56,51) en de wettelijke handelsrente. De kantonrechter wijst deze vorderingen toe.
Beoordeling
[gedaagde] heeft de hoofdsom van € 440,44 volledig betaald
3.1.
Op grond van artikel 6:44 BW strekken deelbetalingen in de eerste plaats in mindering op de kosten (waaronder buitengerechtelijke incassokosten), vervolgens op de verschenen rente en ten slotte op de hoofdsom en de lopende rente.
3.2.
Artikel 6:44 BW is van regelend recht. Dit betekent dat partijen kunnen afwijken van de in randnummer 3.1 omschreven hoofdregel door hierover andere afspraken te maken. Maar partijen kunnen ook stilzwijgend van de hoofdregel afwijken, bijvoorbeeld doordat de schuldenaar aangeeft dat haar deelbetalingen in mindering strekken op de hoofdsom en de schuldeiser dit vervolgens niet afwijst.
3.3.
De kantonrechter is van oordeel dat in dit geval sprake is van een dergelijke stilzwijgende afspraak: [gedaagde] vindt dat haar betalingen in mindering strekken op de hoofdsom. Zij heeft dit ook aangegeven bij haar betalingen, in ieder geval bij haar laatste betaling op 17 juli 2024. [eiseres] heeft dit niet betwist.
3.4.
De hoofdsom bedroeg € 440,44 en [gedaagde] heeft in totaal € 450,00 betaald. Daarom is de hoofdsom volledig door [gedaagde] afgelost en staat nu alleen nog de vraag open of [gedaagde] buitengerechtelijke incassokosten en de wettelijke (handels)rente is verschuldigd.
[gedaagde] moet de buitengerechtelijke incassokosten betalen
3.5.
[eiseres] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. [gedaagde] betwist dat zij buitengerechtelijke kosten moet betalen, omdat zij met [eiseres] zou hebben afgesproken dat zij pas aan [gedaagde] hoefde te betalen als zij in het kader van de toeslagenaffaire een vergoeding van de Commissie Werkelijke Schade zou hebben ontvangen.
3.6.
Weliswaar heeft [eiseres] aangegeven dat zij iets langer wilde wachten op de betaling van [gedaagde] , maar de kantonrechter is van oordeel dat dit niet betekent dat partijen hebben afgesproken dat de opeisbaarheid van vordering afhankelijk is van betaling van de vergoeding door de Commissie Werkelijke Schade.
3.7.
Dit betekent dat [gedaagde] in ieder geval sinds 18 december 2023 in verzuim verkeert. Op 18 december 2023 verliep namelijk de betalingstermijn zoals genoemd in de ingebrekestelling van 7 december 2023. De kantonrechter stelt daarom vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim na 1 juli 2012 is ingetreden. Omdat [eiseres] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht en het gevorderde bedrag van € 66,07 aan buitengerechtelijke incassokosten overeenkomt met het in het Besluit bepaalde tarief zal de vordering worden toegewezen.
3.8.
Maar bij het aflossen van de hoofdsom heeft [gedaagde] wel € 9,56 teveel betaald. Nu de hoofdsom volledig is afgelost, is de kantonrechter van oordeel dat dit bedrag overeenkomstig artikel 6:44 BW in mindering strekt op de buitengerechtelijke incassokosten. Dit betekent dat de kantonrechter € 56,51 (€ 66,07 - € 9,56) aan incassokosten zal toewijzen.
[gedaagde] moet de wettelijke handelsrente betalen
3.9.
In dit geval is sprake van een handelsovereenkomst, omdat het gaat om een zakelijke overeenkomst tussen professionele partijen. Dit betekent dat [gedaagde] de wettelijke handelsrente is verschuldigd op grond van artikel 6:119a BW.
3.10.
De kantonrechter wijst de wettelijke handelsrente toe – zoals door [eiseres] gevorderd – vanaf 19 maart 2024 (de datum waarop de dagvaarding is uitgebracht), omdat [gedaagde] op die datum in ieder geval in verzuim verkeerde door de ingebrekestelling van 7 december 2023. De kantonrechter wijst de wettelijke handelsrente toe over het bedrag van € 340,44. [gedaagde] heeft namelijk op 22 december 2023 en op 1 februari 2024 € 50 betaald. Dit betekent dat op 19 maart 2024 de hoofdsom niet € 440,44 bedroeg, maar € 340,44.
3.11.
Bij de berekening van de wettelijke handelsrente dient rekening te worden gehouden met de door [gedaagde] verrichtte deelbetalingen na 19 maart 2024. [gedaagde] heeft na 19 maart 2024 de volgende deelbetalingen verricht:
€ 100 op 25 april 2024,
€ 100 op 3 mei 2024 en
€ 150 op 16 juli 2024.
3.12.
Dit betekent dat de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW zal worden toegewezen over € 340,44 vanaf 19 maart 2024 tot 25 april 2024, over € 240,44 vanaf 25 april 2024 tot 3 mei 2024 en over € 140,44 vanaf 3 mei 2024 tot 16 juli 2024.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
3.13.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Maar omdat [gedaagde] twee deelbetalingen heeft verricht voordat de dagvaarding is uitgebracht, dient het griffierecht, voor zover dit een bedrag van € 130,00 te boven gaat, als nodeloos veroorzaakt voor rekening van [eiseres] te blijven. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
115,22
- griffierecht
€
130,00
- salaris gemachtigde
€
164,00
(2,00 punten × € 82,00)
- nakosten
€
20,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
429,22
3.14.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Dictum
De kantonrechter
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 56,51,
4.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW te betalen, berekend op de in randnummer 3.12 voorgeschreven wijze,
4.3.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] in de proceskosten van € 429,22, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.4.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten zoals genoemd in randnummer 4.3 als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Verschoof en in het openbaar uitgesproken op 25 september 2024.
EM 62935