Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-01-19
ECLI:NL:RBMNE:2024:562
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,976 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/568-V
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 januari 2024 op het verzet van
[opposante] , te [woonplaats] , opposante,
(gemachtigde: mr. A. Yüksel).
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep dat opposante heeft ingediend tegen het niet tijdig nemen van een besluit van de Belastingdienst/Toeslagen.
In de uitspraak van 26 april 2023 heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Opposante is tegen deze uitspraak in verzet gegaan en heeft niet gevraagd om op een zitting te worden gehoord.
Overwegingen
1. De rechtbank heeft in de uitspraak van 26 april 2023 het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat opposante het verschuldigde griffierecht niet (tijdig) heeft voldaan.
Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij de uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2. In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank toen terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was.
De rechtbank kijkt (nog) niet of opposante gelijk heeft met haar beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank van oordeel is dat de uitspraak van de rechtbank van 26 april 2023 niet juist was.
3. Volgens opposante is de uitspraak van de rechtbank van 26 april 2023 niet juist omdat opposante - kort samengevat - de griffierechtnota van 9 februari 2023 niet heeft ontvangen en ook niet heeft getekend voor ontvangst. Opposante heeft vervolgens navraag gedaan bij de griffie bestuursrecht van de rechtbank en dit heeft uitgewezen dat de nota inderdaad zou zijn verzonden naar het kantoor van de gemachtigde van opposante en op maandag 13 februari 2023 om 09:04 uur voor ontvangst zou zijn getekend. Echter, betreft dit geen handtekening van de gemachtigde van opposante of kantoorgenoten, daarnaast was niemand aanwezig op kantoor op dat tijdstip volgens de gemachtigde van opposante
4. Als een poststuk aangetekend is verzonden en de belanghebbende ontkent de ontvangst ervan, moet worden onderzocht of het stuk door PostNL op regelmatige wijze aan het adres van de belanghebbende is aangeboden.
5. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ten onrechte kennelijk niet-ontvankelijk is verklaard. De rechtbank overweegt hiertoe dat hetgeen de gemachtigde van opposante aanvoert in deze zaak voldoende grond geeft om redelijkerwijs te betwijfelen dat hij de aangetekende brief van 9 februari 2023 heeft ontvangen of dat door PostNL een afhaalbericht is achtergelaten op het adres van de gemachtigde van opposante. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de het niet betalen van het griffierecht opposante hierom niet kan worden aangerekend.
6. Dit betekent dat opposante hierover gelijk heeft. Het verzet is dus gegrond en de uitspraak van 26 april 2023 vervalt (op grond van artikel 8:55, negende lid, Awb). De rechtbank hervat het onderzoek in de stand waarin dat zich bevond voordat de buiten-zittinguitspraak van 26 april 2023 werd gedaan. De zaak wordt nu verder behandeld door de rechtbank. Opposante krijgt hierover nog bericht.
7. De rechtbank neemt nu nog geen beslissing over de vergoeding van de proceskosten van opposante. Dit gebeurt pas in de einduitspraak over het beroep.
Dictum
De rechtbank verklaart het verzet gegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van S. Ayyildiz, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 januari 2024
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak kunt u niet in hoger beroep.
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/568-V
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 januari 2024 op het verzet van
[opposante] , te [woonplaats] , opposante,
(gemachtigde: mr. A. Yüksel).
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep dat opposante heeft ingediend tegen het niet tijdig nemen van een besluit van de Belastingdienst/Toeslagen.
In de uitspraak van 26 april 2023 heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Opposante is tegen deze uitspraak in verzet gegaan en heeft niet gevraagd om op een zitting te worden gehoord.
Overwegingen
1. De rechtbank heeft in de uitspraak van 26 april 2023 het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat opposante het verschuldigde griffierecht niet (tijdig) heeft voldaan.
Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij de uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2. In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank toen terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was.
De rechtbank kijkt (nog) niet of opposante gelijk heeft met haar beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank van oordeel is dat de uitspraak van de rechtbank van 26 april 2023 niet juist was.
3. Volgens opposante is de uitspraak van de rechtbank van 26 april 2023 niet juist omdat opposante - kort samengevat - de griffierechtnota van 9 februari 2023 niet heeft ontvangen en ook niet heeft getekend voor ontvangst. Opposante heeft vervolgens navraag gedaan bij de griffie bestuursrecht van de rechtbank en dit heeft uitgewezen dat de nota inderdaad zou zijn verzonden naar het kantoor van de gemachtigde van opposante en op maandag 13 februari 2023 om 09:04 uur voor ontvangst zou zijn getekend. Echter, betreft dit geen handtekening van de gemachtigde van opposante of kantoorgenoten, daarnaast was niemand aanwezig op kantoor op dat tijdstip volgens de gemachtigde van opposante
4. Als een poststuk aangetekend is verzonden en de belanghebbende ontkent de ontvangst ervan, moet worden onderzocht of het stuk door PostNL op regelmatige wijze aan het adres van de belanghebbende is aangeboden.
5. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ten onrechte kennelijk niet-ontvankelijk is verklaard. De rechtbank overweegt hiertoe dat hetgeen de gemachtigde van opposante aanvoert in deze zaak voldoende grond geeft om redelijkerwijs te betwijfelen dat hij de aangetekende brief van 9 februari 2023 heeft ontvangen of dat door PostNL een afhaalbericht is achtergelaten op het adres van de gemachtigde van opposante. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de het niet betalen van het griffierecht opposante hierom niet kan worden aangerekend.
6. Dit betekent dat opposante hierover gelijk heeft. Het verzet is dus gegrond en de uitspraak van 26 april 2023 vervalt (op grond van artikel 8:55, negende lid, Awb). De rechtbank hervat het onderzoek in de stand waarin dat zich bevond voordat de buiten-zittinguitspraak van 26 april 2023 werd gedaan. De zaak wordt nu verder behandeld door de rechtbank. Opposante krijgt hierover nog bericht.
7. De rechtbank neemt nu nog geen beslissing over de vergoeding van de proceskosten van opposante. Dit gebeurt pas in de einduitspraak over het beroep.
Dictum
De rechtbank verklaart het verzet gegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van S. Ayyildiz, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 januari 2024
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak kunt u niet in hoger beroep.