Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-10-02
ECLI:NL:RBMNE:2024:5500
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,444 tokens
Inleiding
RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11017088 \ AC EXPL 24-698 RJ/58605
Vonnis van 2 oktober 2024
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: Syncasso Gerechtsdeurwaarders B.V.,
tegen
[gedaagde] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. J.A.Th. van den Berg.
Procesverloop
1.1.
De kantonrechter heeft de volgende stukken ontvangen en gelezen:
- de dagvaarding van 22 maart 2024 met producties 1 en 2;
- de brief van 27 maart 2024 van de gemachtigde van [eiseres] dat de vordering met € 1.000,00 verminderd kan worden omdat een betaling van € 1.000,00 is gedaan door [gedaagde] aan [eiseres] ; - de conclusie van antwoord van 30 april 2024;
- de brief van de gemachtigde van 30 augustus 2024 van [gedaagde] dat [gedaagde] en hij niet op de mondelinge behandeling zullen verschijnen.
1.2.
Op 2 september 2024 is de zaak besproken tijdens een mondelinge behandeling, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt. Daarbij was namens [eiseres] de heer [A] (bestuurder) aanwezig. Aan de zijde van [gedaagde] was, zoals aangekondigd, niemand aanwezig.
1.3.
Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter bepaald dat vandaag uitspraak zal worden gedaan.
2Waar gaat deze zaak over?
2.1.
Tussen [eiseres] en [gedaagde] bestaat een samenwerkingsovereenkomst, op grond waarvan [eiseres] voor [gedaagde] werkzaamheden heeft verricht. Volgens [eiseres] heeft [gedaagde] van vier facturen van in totaal € 12.838,10 slechts een bedrag van € 1.000,00 betaald. [eiseres] vordert daarom betaling van een bedrag van € 11.838,10. [eiseres] vordert in deze procedure ook veroordeling van [gedaagde] tot betaling van de wettelijke handelsrente, de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten.
3Wat oordeelt de kantonrechter?
[gedaagde] moet de facturen betalen
3.1.
Tussen partijen staat de (inhoud van de) samenwerkingsovereenkomst vast. [eiseres] heeft gesteld en onderbouwd dat zij werkzaamheden heeft verricht waarvoor zij in totaal € 12.838,10 aan [gedaagde] mocht factureren. [gedaagde] heeft enkel aangegeven dat van een tekortkoming geen sprake is, zij aan haar verplichtingen heeft voldaan en [eiseres] geen vordering op haar heeft. Gelet op de betwisting van [eiseres] dat de facturen betaald zijn, lag het op de weg van [gedaagde] om haar stelling nader te onderbouwen. Dit had zij bijvoorbeeld kunnen doen door aan te geven wanneer zij de facturen betaald zou hebben, hoe zij de facturen betaald zou hebben of door betalingsbewijzen hiervan over te leggen. Nu [gedaagde] dit allemaal niet heeft gedaan, zal haar verweer worden verworpen en gaat de kantonrechter ervan uit dat [gedaagde] de facturen nog moet betalen. De vordering van € 11.838,10 wordt daarom toegewezen.
3.2.
Het aanbod van [gedaagde] om alsnog bewijs aan te dragen van de juistheid van haar stelling dat er betalingen zijn gedaan zal worden gepasseerd, omdat aan het leveren van bewijs pas wordt toegekomen wanneer stellingen voldoende zijn onderbouwd, hetgeen [gedaagde] [eiseres] niet heeft gedaan.
[gedaagde] moet de wettelijke handelsrente betalen
3.3.
[eiseres] heeft wettelijke handelsrente gevorderd. De gevorderde wettelijke handelsrente tot 20 maart 2024 bedraagt € 298,40. [gedaagde] heeft de vordering tot betaling van wettelijke handelsrente niet gemotiveerd betwist. Het bedrag van
€ 298,40 wordt daarom toegewezen. De wettelijke handelsrente vanaf 21 maart 2024 zal worden toegewezen zoals in de beslissing vermeld, waarbij rekening wordt gehouden met de betaling van € 1.000,00 door [gedaagde] aan [eiseres] op 27 maart 2024.
[gedaagde] moet de buitengerechtelijke incassokosten betalen
3.4.
[eiseres] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) is van toepassing. Het verzuim is na 1 juli 2012 ingetreden. [eiseres] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiseres] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is niet hoger dan het tarief dat in het Besluit is bepaald. Daarom wordt € 903,38 toegewezen.
Conclusie
3.5.
Uit het voorgaande volgt dat in totaal het volgende bedrag wordt toegewezen:
- hoofdsom
- wettelijke handelsrente tot 20 maart 2024
€
€
11.838,10
298,40
- buitengerechtelijke incassokosten
€
903,38
+
Totaal
€
13.039,88
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
3.6.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
115,22
- griffierecht
€
1.409,00
- salaris gemachtigde
€
406,00
(1 punt × € 406,00)
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.065,22
Dictum
3.7.
De kantonrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
Dictum
De kantonrechter:
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 13.039,88, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over € 12.838,10, met ingang van 21 maart 2024 tot 27 maart 2024 en over een bedrag van € 11.838,10 met ingang van 27 maart 2024 tot de dag van volledige betaling,
4.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.065,22, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.S. Koppert en in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2024.
Inleiding
RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11017088 \ AC EXPL 24-698 RJ/58605
Vonnis van 2 oktober 2024
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: Syncasso Gerechtsdeurwaarders B.V.,
tegen
[gedaagde] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. J.A.Th. van den Berg.
Procesverloop
1.1.
De kantonrechter heeft de volgende stukken ontvangen en gelezen:
- de dagvaarding van 22 maart 2024 met producties 1 en 2;
- de brief van 27 maart 2024 van de gemachtigde van [eiseres] dat de vordering met € 1.000,00 verminderd kan worden omdat een betaling van € 1.000,00 is gedaan door [gedaagde] aan [eiseres] ; - de conclusie van antwoord van 30 april 2024;
- de brief van de gemachtigde van 30 augustus 2024 van [gedaagde] dat [gedaagde] en hij niet op de mondelinge behandeling zullen verschijnen.
1.2.
Op 2 september 2024 is de zaak besproken tijdens een mondelinge behandeling, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt. Daarbij was namens [eiseres] de heer [A] (bestuurder) aanwezig. Aan de zijde van [gedaagde] was, zoals aangekondigd, niemand aanwezig.
1.3.
Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter bepaald dat vandaag uitspraak zal worden gedaan.
2Waar gaat deze zaak over?
2.1.
Tussen [eiseres] en [gedaagde] bestaat een samenwerkingsovereenkomst, op grond waarvan [eiseres] voor [gedaagde] werkzaamheden heeft verricht. Volgens [eiseres] heeft [gedaagde] van vier facturen van in totaal € 12.838,10 slechts een bedrag van € 1.000,00 betaald. [eiseres] vordert daarom betaling van een bedrag van € 11.838,10. [eiseres] vordert in deze procedure ook veroordeling van [gedaagde] tot betaling van de wettelijke handelsrente, de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten.
3Wat oordeelt de kantonrechter?
[gedaagde] moet de facturen betalen
3.1.
Tussen partijen staat de (inhoud van de) samenwerkingsovereenkomst vast. [eiseres] heeft gesteld en onderbouwd dat zij werkzaamheden heeft verricht waarvoor zij in totaal € 12.838,10 aan [gedaagde] mocht factureren. [gedaagde] heeft enkel aangegeven dat van een tekortkoming geen sprake is, zij aan haar verplichtingen heeft voldaan en [eiseres] geen vordering op haar heeft. Gelet op de betwisting van [eiseres] dat de facturen betaald zijn, lag het op de weg van [gedaagde] om haar stelling nader te onderbouwen. Dit had zij bijvoorbeeld kunnen doen door aan te geven wanneer zij de facturen betaald zou hebben, hoe zij de facturen betaald zou hebben of door betalingsbewijzen hiervan over te leggen. Nu [gedaagde] dit allemaal niet heeft gedaan, zal haar verweer worden verworpen en gaat de kantonrechter ervan uit dat [gedaagde] de facturen nog moet betalen. De vordering van € 11.838,10 wordt daarom toegewezen.
3.2.
Het aanbod van [gedaagde] om alsnog bewijs aan te dragen van de juistheid van haar stelling dat er betalingen zijn gedaan zal worden gepasseerd, omdat aan het leveren van bewijs pas wordt toegekomen wanneer stellingen voldoende zijn onderbouwd, hetgeen [gedaagde] [eiseres] niet heeft gedaan.
[gedaagde] moet de wettelijke handelsrente betalen
3.3.
[eiseres] heeft wettelijke handelsrente gevorderd. De gevorderde wettelijke handelsrente tot 20 maart 2024 bedraagt € 298,40. [gedaagde] heeft de vordering tot betaling van wettelijke handelsrente niet gemotiveerd betwist. Het bedrag van
€ 298,40 wordt daarom toegewezen. De wettelijke handelsrente vanaf 21 maart 2024 zal worden toegewezen zoals in de beslissing vermeld, waarbij rekening wordt gehouden met de betaling van € 1.000,00 door [gedaagde] aan [eiseres] op 27 maart 2024.
[gedaagde] moet de buitengerechtelijke incassokosten betalen
3.4.
[eiseres] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) is van toepassing. Het verzuim is na 1 juli 2012 ingetreden. [eiseres] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiseres] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is niet hoger dan het tarief dat in het Besluit is bepaald. Daarom wordt € 903,38 toegewezen.
Conclusie
3.5.
Uit het voorgaande volgt dat in totaal het volgende bedrag wordt toegewezen:
- hoofdsom
- wettelijke handelsrente tot 20 maart 2024
€
€
11.838,10
298,40
- buitengerechtelijke incassokosten
€
903,38
+
Totaal
€
13.039,88
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
3.6.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
115,22
- griffierecht
€
1.409,00
- salaris gemachtigde
€
406,00
(1 punt × € 406,00)
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.065,22
Dictum
3.7.
De kantonrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
Dictum
De kantonrechter:
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 13.039,88, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over € 12.838,10, met ingang van 21 maart 2024 tot 27 maart 2024 en over een bedrag van € 11.838,10 met ingang van 27 maart 2024 tot de dag van volledige betaling,
4.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.065,22, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.S. Koppert en in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2024.