Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-01-29
ECLI:NL:RBMNE:2024:534
Civiel recht; Insolventierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,822 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
locatie Utrecht
zaaknummer: C/16/24/13 R
uitspraakdatum: 29 januari 2024
uitspraak op grond van artikel 288 lid 1 van de Faillissementswet
( “toepassing schuldsanering”)
enkelvoudige kamer
[verzoeksters] ,
wonende [adres]
[woonplaats] ,
verzoekster,
heeft een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Het verzoekschrift is behandeld ter zitting van 26 januari 2024. Daarbij is verzoekster gehoord. Bij deze zitting waren verder aanwezig de heer [A] en mevrouw [B] [bedrijf] B.V.), beschermingsbewindvoerder.
Het verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen.
Ten aanzien van verzoekster is voldaan aan het bepaalde in artikel 288 lid 1 van de Faillissementswet. Van een grond voor afwijzing van het verzoek is niet gebleken.
De schuldsaneringsregeling duurt normaal 18 maanden. Verzoekster heeft gedurende 10 maanden zoveel geld als ze kon sparen op een rekening van de bewindvoerder. Verzoekster is aan de AOW-leeftijd gekomen, waardoor er geen uitzicht bestaat op hogere inkomsten en geen sollicitatieverplichting geldt.
De partner van verzoekster is ongeveer vijf weken geleden overleden. De kosten van de uitvaart kunnen worden voldaan uit het gespaarde bedrag. De vraag is of, als verzoekster deze kosten alsnog voldoet, dit in de weg staat aan een verkorting van de looptijd.
De kosten van de uitvaart zijn materieel ontstaan op een moment voorafgaand aan de toelating tot de schuldsaneringsregeling. Dit betekent dat ze al bestonden toen de schuldsaneringsregeling begon. De kosten van de uitvaart zijn niet vrijwillig gemaakt. Ze waren noodzakelijk om de partner van de verzoekster te begraven of te cremeren.
Die kosten van de uitvaart vallen dus onder de werking van de schuldsaneringsregeling. Deze kosten zullen daarom niet kunnen worden betaald uit het gespaarde bedrag, maar moeten als vordering in de schuldsaneringsregeling worden ingediend. Het volledige gespaarde bedrag moet beschikbaar worden gesteld aan de gezamenlijke schuldeisers. Het gevolg hiervan is dus dat ook het volledige gespaarde bedrag in aanmerking moet worden genomen bij het bepalen van de looptijd van de schuldsaneringsregeling.
Het gevolg is dat de looptijd van de schuldsaneringsregeling wordt vastgesteld op 10 maanden.
Gelet op artikel 295 lid 3 van de Faillissementswet.
Dictum
De rechtbank:
- spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoeksters] ,
geboren op [geboortedatum] -1956 te [geboorteplaats] ,
wonende [adres] , [woonplaats] ,
- benoemt tot rechter-commissaris mr. G. Konings,
en tot bewindvoerder R.I. de Jong,
Postbus 2022,
4200 BA Gorinchem;
- stelt de looptijd van de schuldsaneringsregeling vast op 10 maanden;
- stelt bij wijze van voorschot, bij toereikend boedelactief, het salaris van de bewindvoerder vast op het op grond van artikel 2 van het Besluit salaris bewindvoerder schuldsaneringsregeling geldende bedrag;
- geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan de schuldenares gerichte brieven.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. Neijt en is in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2024.
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
locatie Utrecht
zaaknummer: C/16/24/13 R
uitspraakdatum: 29 januari 2024
uitspraak op grond van artikel 288 lid 1 van de Faillissementswet
( “toepassing schuldsanering”)
enkelvoudige kamer
[verzoeksters] ,
wonende [adres]
[woonplaats] ,
verzoekster,
heeft een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Het verzoekschrift is behandeld ter zitting van 26 januari 2024. Daarbij is verzoekster gehoord. Bij deze zitting waren verder aanwezig de heer [A] en mevrouw [B] [bedrijf] B.V.), beschermingsbewindvoerder.
Het verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen.
Ten aanzien van verzoekster is voldaan aan het bepaalde in artikel 288 lid 1 van de Faillissementswet. Van een grond voor afwijzing van het verzoek is niet gebleken.
De schuldsaneringsregeling duurt normaal 18 maanden. Verzoekster heeft gedurende 10 maanden zoveel geld als ze kon sparen op een rekening van de bewindvoerder. Verzoekster is aan de AOW-leeftijd gekomen, waardoor er geen uitzicht bestaat op hogere inkomsten en geen sollicitatieverplichting geldt.
De partner van verzoekster is ongeveer vijf weken geleden overleden. De kosten van de uitvaart kunnen worden voldaan uit het gespaarde bedrag. De vraag is of, als verzoekster deze kosten alsnog voldoet, dit in de weg staat aan een verkorting van de looptijd.
De kosten van de uitvaart zijn materieel ontstaan op een moment voorafgaand aan de toelating tot de schuldsaneringsregeling. Dit betekent dat ze al bestonden toen de schuldsaneringsregeling begon. De kosten van de uitvaart zijn niet vrijwillig gemaakt. Ze waren noodzakelijk om de partner van de verzoekster te begraven of te cremeren.
Die kosten van de uitvaart vallen dus onder de werking van de schuldsaneringsregeling. Deze kosten zullen daarom niet kunnen worden betaald uit het gespaarde bedrag, maar moeten als vordering in de schuldsaneringsregeling worden ingediend. Het volledige gespaarde bedrag moet beschikbaar worden gesteld aan de gezamenlijke schuldeisers. Het gevolg hiervan is dus dat ook het volledige gespaarde bedrag in aanmerking moet worden genomen bij het bepalen van de looptijd van de schuldsaneringsregeling.
Het gevolg is dat de looptijd van de schuldsaneringsregeling wordt vastgesteld op 10 maanden.
Gelet op artikel 295 lid 3 van de Faillissementswet.
Dictum
De rechtbank:
- spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoeksters] ,
geboren op [geboortedatum] -1956 te [geboorteplaats] ,
wonende [adres] , [woonplaats] ,
- benoemt tot rechter-commissaris mr. G. Konings,
en tot bewindvoerder R.I. de Jong,
Postbus 2022,
4200 BA Gorinchem;
- stelt de looptijd van de schuldsaneringsregeling vast op 10 maanden;
- stelt bij wijze van voorschot, bij toereikend boedelactief, het salaris van de bewindvoerder vast op het op grond van artikel 2 van het Besluit salaris bewindvoerder schuldsaneringsregeling geldende bedrag;
- geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan de schuldenares gerichte brieven.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. Neijt en is in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2024.