Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-08-28
ECLI:NL:RBMNE:2024:5308
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,405 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
kantonrechter
locatie Utrecht
zaaknummer: 11171716 UC EXPL 24-4253 YA/1386
Vonnis van 28 augustus 2024
In de zaak van
de besloten vennootschap
[eiseres] BV,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
gemachtigde: Janssen & Janssen c.s.,
tegen:
[gedaagde]
,
wonend in [woonplaats] ,
gedaagde partij,
niet verschenen.
Procesverloop
1.1.
De eisende partij heeft een dagvaarding uitgebracht. De gedaagde partij heeft daar niet (op tijd) op gereageerd en niet gevraagd om op een later moment te mogen reageren. Daarom heeft de kantonrechter verstek verleend tegen de gedaagde partij.
1.2.
Daarop volgt nu dit vonnis.
Beoordeling
2.1.
De eisende partij stelt zich op het standpunt dat zij, een professionele partij, handelend in de uitoefening van haar beroep of bedrijf, een overeenkomst heeft gesloten met de gedaagde partij, een consument. Volgens de eisende partij gaat het om een duurovereenkomst, op grond waarvan de eisende partij tegen betaling warmte en/of koude en/of warm tapwater (hierna kortweg: warmte) levert aan de gedaagde partij.
2.2.
De eisende partij beschikt naar eigen zeggen niet over een papieren of digitale (door de gedaagde partij ingevulde, ondertekende en geretourneerde) overeenkomst, maar dat hoeft ook niet. Dat tussen partijen een overeenkomst bestaat blijkt namelijk uit de omstandigheid dat de gedaagde partij warmte heeft afgenomen en daar (aanvankelijk) ook voor heeft betaald, en ook uit de omstandigheid dat de gedaagde partij op enig moment een storing heeft gemeld, die vervolgens door de eisende partij is verholpen.
2.3.
De gevorderde verklaring voor recht met betrekking tot het bestaan van de overeenkomst is aldus toewijsbaar.
2.4.
Op deze overeenkomst zijn consumentenbeschermende bepalingen van toepassing. Sommige consumentenbeschermende bepalingen worden zo belangrijk gevonden dat de kantonrechter ambtshalve (dat wil zeggen uit zichzelf, ook als de consument daar niet om vraagt) moet beoordelen of die zijn nageleefd. Als die bepalingen niet zijn nageleefd, of als de kantonrechter over onvoldoende informatie beschikt om die naleving te kunnen beoordelen, moet de kantonrechter daar in beginsel, eveneens ambtshalve, consequenties aan verbinden.
2.5.
De kantonrechter moet onder andere ambtshalve beoordelen of de eisende partij bij het sluiten van de overeenkomst aan de toepasselijke essentiële informatieplichten heeft voldaan, zie artikel 6:230g en verder van het Burgerlijk Wetboek (BW). De kantonrechter begrijpt dat de gedaagde partij bij het betrekken van de woning meteen warmte is gaan afnemen en dat de eisende partij pas meer dan een jaar later de noodzakelijke informatie heeft verstrekt, nadat de eigenaar/verhuurder van de woning de gedaagde partij had aangemeld bij de eisende partij. Aldus moet worden geconstateerd dat niet aan de wettelijke eisen (die mede inhouden dat vóór het sluiten van de overeenkomst informatie wordt verstrekt) kan zijn voldaan – waarmee vaststaat dat de eisende partij de op haar rustende informatieplichten heeft geschonden.
2.6.
De kantonrechter ziet echter geen aanleiding om aan die schending een sanctie te verbinden. De ratio achter de wettelijke informatieplichten is immers dat een consument geïnformeerd kan beslissen met welke aanbieder en onder welke voorwaarden hij een overeenkomst wenst te sluiten en hij de gemaakte afspraken desgewenst op een later moment nog kan raadplegen. Hoewel de wetgever warmteleveringsovereenkomsten niet heeft uitgezonderd van de informatieplichten, lijken die informatieplichten voor deze overeenkomsten feitelijk zinledig. Voor warmteleveringsovereenkomsten bestaat immers geen keuzevrijheid met betrekking tot de leverancier. Bovendien worden wettelijk vastgestelde kostendekkende, transparante en niet-discriminerende tarieven gehanteerd, gebaseerd op daadwerkelijk verbruik, waarmee reeds wordt voorzien in de bescherming van consumenten.
2.7.
De kantonrechter moet ook ambtshalve toetsen of op de overeenkomst met de gedaagde partij algemene voorwaarden van toepassing zijn en zo ja, of daarin geen bedingen zijn opgenomen die onredelijk bezwarend zijn voor een consument (zie artikel 6:233 onder a BW).
2.8.
De eisende partij heeft bij de dagvaarding algemene voorwaarden gevoegd, maar omdat een papieren of digitale (door de gedaagde partij ingevulde, ondertekende en geretourneerde) overeenkomst ontbreekt en de eisende partij ook niets anders heeft gesteld waaruit blijkt dat, en zo ja hoe, de gedaagde partij de gelding van die algemene voorwaarden heeft aanvaard, kan de kantonrechter niet vaststellen dat de overgelegde voorwaarden daadwerkelijk van toepassing zijn op de tussen partijen gesloten overeenkomst (zie artikel 6:231 onder c BW). De vorderingen van de eisende partij kunnen daardoor niet op die voorwaarden worden gebaseerd (en als gevolg daarvan komt de kantonrechter niet toe aan de inhoudelijke beoordeling van deze voorwaarden).
2.9.
Dat heeft geen consequenties voor de gevorderde veroordeling tot betaling van de ontstane betalingsachterstand. Dat moet worden betaald voor de geleverde warmte volgt namelijk rechtstreeks uit de overeenkomst (niet uit de algemene voorwaarden). De eisende partij heeft gemotiveerd en onderbouwd gesteld dat de gedaagde partij een betalingsachterstand heeft laten ontstaan. Daarom is dit deel van de vordering toewijsbaar, evenals de over de achterstand gevorderde wettelijke rente.
2.10.
De eisende partij maakt voorts aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Ook die vordering kan worden toegewezen, omdat de eisende partij heeft voldaan aan de eisen van artikel 6:96 lid 5 en 6 BW en het daarop gebaseerde Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten.
2.11.
De eisende partij vordert voorts, kort gezegd, de ontbinding van de overeenkomst en toestemming om werkzaamheden te verrichten om de aansluiting van de gedaagde partij op het warmtenet af te sluiten. De betalingsachterstand is van dien aard dat op zich niet van de eisende partij kan worden gevergd dat zij warmte moet blijven leveren aan de gedaagde partij. Maar in artikel 5 van de toepasselijke Warmteregeling is met zoveel woorden bepaald dat de levering niet wordt beëindigd wegens wanbetaling, tenzij aan een aantal in dit artikel genoemde eisen is voldaan, waaronder de eis dat de leverancier zich tot het inspant om in persoonlijk contact te treden met de verbruiker, zo nodig herhaaldelijk en via diverse communicatiekanalen, en de eis dat de leverancier de verbruiker een redelijke en passende betalingsregeling aanbiedt, die in ieder geval afspraken omvat over de betaling en de afwikkeling van de openstaande vorderingen. Dat (en zo ja, hoe) de eisende partij aan alle genoemde eisen heeft voldaan is niet gebleken. Om die reden kan de kantonrechter de daarop gebaseerde vorderingen niet toewijzen.
2.12.
De kantonrechter voegt hier voor de volledigheid aan toe dat de gedaagde partij gedurende de looptijd van de overeenkomst zal moeten blijven betalen voor de afgenomen warmte.
2.13.
Hoewel een deel van de vordering wordt afgewezen, wordt de gedaagde partij grotendeels in het ongelijk gesteld. Daarom wordt de gedaagde partij in de proceskosten (inclusief nakosten) veroordeeld. De kosten van de eisende partij worden begroot op:
- dagvaarding € 112,99
- griffierecht € 524,00
- salaris gemachtigde € 406,00 (1 punt x tarief € 406,00)
- nakosten € 135,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 1.177,99
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
verklaart voor recht dat op 1 september 2016 een overeenkomst is ontstaan tussen partijen ter zake de levering van warmte en/of koude en/of warm tapwater aan het verbruiksperceel [adres] in [plaats] ;
3.2.
veroordeelt de gedaagde partij om tegen bewijs van kwijting € 11.152,94 aan de eisende partij te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente over € 9.390,33 vanaf 18 juni 2024 tot de voldoening;
3.3.
veroordeelt de gedaagde partij om binnen veertien dagen na aanschrijving de proceskosten van € 1.177,99 te betalen; als de gedaagde partij niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, moet de gedaagde partij ook de kosten van betekening betalen;
3.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
3.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. O.P. van Tricht, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 28 augustus 2024.
De kantonrechter komt aldus (zij het met een andere redenering) tot hetzelfde resultaat als het gerechtshof in ’s-Hertogenbosch in zijn arrest van 16 april 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:1329, waarnaar de eisende partij in haar dagvaarding heeft verwezen.