Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-08-16
ECLI:NL:RBMNE:2024:5212
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,200 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/2763
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 augustus 2024 in de zaak tussen
[eiseres] B.V., uit [plaats] , eiseres
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vijfheerenlanden, het college
(gemachtigde: A.M. Wiechers).
Inleiding
Het college heeft een verkeersbesluit genomen op 23 december 2022 (gepubliceerd op 29 december 2022). Dit verkeersbesluit houdt in dat er 26 betaalde parkeervakken aan de [straat] in [plaats] worden omgevormd naar vergunninghoudersparkeervakken.
Eiseres is het daarmee oneens en heeft bezwaar gemaakt. Het college heeft dit bezwaar op 31 maart 2023 (kennelijk) niet-ontvankelijk verklaard omdat eiseres geen belanghebbende is bij het verkeersbesluit.
Eiseres heeft tegen dat besluit beroep ingesteld. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 16 augustus 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen W.F. Veldstra namens eiseres en de gemachtigde van het college.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling
1. De rechtbank beoordeelt of het college het bezwaar terecht (kennelijk) niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat eiseres geen belanghebbende is bij het verkeersbesluit.
2. De rechtbank oordeelt dat dit zo is. Niet iedereen kan opkomen tegen een verkeersbesluit. Om belanghebbende te zijn bij een verkeersbesluit, moet sprake zijn van een bijzonder, individueel belang bij dat besluit dat zich in voldoende mate onderscheidt van dat van andere weggebruikers. Dat doet zich bij eiseres niet voor. De wens dat bezoekers bij het bedrijf van eiseres kunnen parkeren, is begrijpelijk maar dat is geen bijzonder, individueel belang dat zich in voldoende mate van andere weggebruikers onderscheidt. Er zijn meer weggebruikers die bezoekers hebben, al dan niet bedrijfsmatig of in privé. Ook de omstandigheid dat het verkeersbesluit tot gevolg heeft dat er nog minder beschikbare parkeerplekken zijn in het centrum van Leerdam dat al een schaarste aan parkeerplekken kent, levert niet zo’n belang op. Iedere weggebruiker heeft daarmee te maken. De rechtbank ziet verder geen inbreuk in het eigendomsrecht van eiseres (in verband met het moeten uitwijken naar de parkeergelegenheid op eigen terrein nu zij niet over een parkeervergunning beschikt) dat haar belanghebbende maakt bij het verkeersbesluit. Dat betekent dat eiseres geen belanghebbende is bij het verkeersbesluit. Het college heeft haar bezwaar daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard.
3. De rechtbank vindt ook dat het college eiseres niet heeft hoeven horen tijdens de bezwaarfase. Het college heeft het bezwaar – gelet op de inhoud van het bezwaarschrift – kennelijk niet-ontvankelijk mogen vinden omdat eiseres niet als belanghebbende bij het verkeersbesluit kan worden aangemerkt.
Conclusie
Eiseres is geen belanghebbende bij het verkeersbesluit. Het bezwaar is terecht (kennelijk) niet-ontvankelijk verklaard. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het beroep ongegrond is. Er bestaat daarom geen aanleiding voor een vergoeding van het betaalde griffierecht of proceskosten.
Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 augustus 2024 door mr. A.A.M. Elzakkers, rechter, in aanwezigheid van mr. A.L.K. Dagmar, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.