Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-08-28
ECLI:NL:RBMNE:2024:5182
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
5,594 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/220
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 augustus 2024 in de zaak tussen
[eiser] BV, uit [vestigingsplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. J. van Andel),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht
(gemachtigde: mr. K. Bounaanaa).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het intrekken van de aan hem op 1 april 2019 verleende omgevingsvergunning voor het verbouwen van het winkelpand naar drie appartementen aan het adres [adres 1] , [adres 2] en [adres 3] in [plaats] . Het college heeft deze vergunning op 11 juni 2022 ingetrokken.
2. Met het bestreden besluit van 4 december 2023 op het bezwaar van eiser is het college bij dat besluit gebleven. Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
3. De rechtbank heeft het beroep op 17 juli 2024 tijdens een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde en de gemachtigde van het college.
Beoordeling
4. De rechtbank beoordeelt of het college de vergunning kon intrekken. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
5. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Dat wil zeggen dat eiser geen gelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Wat is het beoordelingskader?
6. Voor het intrekken van de vergunning heeft het college gebruik gemaakt van de bevoegdheid uit artikel 2.33, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Die bepaling geeft het college de bevoegdheid om een vergunning voor een bouwactiviteit in te trekken, als daarvan langer dan 26 weken geen gebruik is gemaakt.
7. Omdat het intrekken van een vergunning op grond van deze bepaling geen verplichting maar een bevoegdheid is, heeft het college bij het uitoefenen hiervan beleidsruimte. De rechter toetst of het college in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen. Volgens vaste rechtspraak moeten daarbij alle relevante belangen worden geïnventariseerd en afgewogen. Daartoe behoren ook de (financiële) belangen van de vergunninghouder. Daarbij mag in aanmerking worden genomen of het niet tijdig gebruik maken van de vergunning aan de vergunninghouder is toe te rekenen. De enkele omstandigheid dat de houder van een omgevingsvergunning niet aannemelijk weet te maken dat hij deze alsnog binnen korte termijn zal benutten, is voldoende om de intrekking van een ongebruikte omgevingsvergunning te rechtvaardigen. De rechtbank ziet in deze zaak geen aanleiding om van deze vaste rechtspraak af te wijken.
8. Het college heeft voor de toepassing van de genoemde bevoegdheid beleidsregels vastgesteld. Op grond van deze beleidsregels trekt het college ongebruikte omgevingsvergunningen in, onder meer in het belang van een actueel vergunningenbestand en een feitelijke situatie die overeenkomt met de Basisadministratie Adressen en Gebouwen. Ook gebeurt dit om ‘slapende vergunningen’ te voorkomen, waardoor derde-belanghebbenden geconfronteerd kunnen worden met oude rechten waartegen geen rechtsmiddelen meer open staan of om te voorkomen dat nieuwe(re) planologische en stedenbouwkundige ontwikkelingen worden doorkruist door vergunningen die in het verleden zijn verleend. Op grond van de beleidsregels maakt het college gebruik van de bevoegdheid om een vergunning in te trekken, als meer dan drie jaar is verstreken na het onherroepelijk worden van de vergunning. Een uitzondering wordt gemaakt in het geval er urgente, zwaarwegende planologische stedenbouwkundige of technische belangen zijn, die aanleiding geven tot strikte toepassing van de 26-weken termijn. De rechtbank acht dit beleid niet onredelijk.
Was het college bevoegd tot het intrekken van de vergunning?
9. In dit geval is er meer dan drie jaar verstreken nadat de vergunning onherroepelijk werd. Op grond van artikel 2.33, eerste lid onder a, van de Wabo en de voor deze bepaling vastgestelde beleidsregels, was het college dus op zichzelf bevoegd om de vergunning in te trekken.
Heeft het college de belangen op juiste wijze geïnventariseerd en afgewogen?
10. Het college heeft eiser op 7 juni 2022 laten weten dat het voornemens was om de vergunning in te trekken. Hierbij heeft het college aan eiser de gelegenheid geboden om op dit voornemen te reageren. Daarbij heeft het college aan eiser laten weten dat het zou afzien van intrekking van de vergunning, als hij met concrete stukken aannemelijk zou maken dat alsnog binnen acht weken met de bouw zou worden gestart of dat alsnog binnen 26 weken zou worden gestart en er sprake zou zijn van persoonlijke of bijzondere omstandigheden.
11. De rechtbank oordeelt dat het college met deze werkwijze voldoende inspanningen heeft verricht om de relevante belangen te inventariseren en het besluit zorgvuldig te kunnen voorbereiden. Mede gelet op de vaste rechtspraak, acht de rechtbank ook het door het college gehanteerde uitgangspunt niet onredelijk dat het alleen van intrekking van de vergunning zou afzien, als eiser met concrete stukken aannemelijk zou maken dat alsnog binnen acht weken met de bouw zou worden gestart of dat alsnog binnen 26 weken zou worden gestart als er sprake zou zijn van persoonlijke of bijzondere omstandigheden.
12. Ook naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser hieraan niet voldaan. Eiser heeft geen concreet inzicht gegeven waarmee aannemelijk is gemaakt dat binnen acht weken zou worden gestart met de bouw. Evenmin heeft eiser, onder het vermelden van persoonlijke of bijzondere omstandigheden, inzichtelijk gemaakt dat alsnog binnen 26 weken met de bouw zou worden gestart.
13. De omstandigheid dat eiser de onderhandelingen met de huurder van het pand om een andere passende winkelruimte voor hem te vinden nog niet heeft kunnen afronden, is naar het oordeel van de rechtbank geen persoonlijke of bijzondere omstandigheid. Door een omgevingsvergunning aan te vragen voordat hierover met de huurder overeenstemming was bereikt, heeft eiser zelf het risico genomen van de onzekerheid of hij gebruik zou kunnen maken van de vergunning en voor lief genomen dat het college de ongebruikte vergunning na verloop van tijd zou kunnen intrekken. Dat eiser in de periode van drie jaar na het onherroepelijk worden van de vergunning geen overeenstemming met de huurder heeft bereikt en dat ook nog niet is gelukt in de periode tussen het moment waarop het college (op 7 juni 2022) het voornemen kenbaar maakte om de vergunning in te trekken en het moment van het bestreden besluit (op 4 december 2023), bevestigt alleen maar het beeld dat het niet aannemelijk is dat eiser binnen korte tijd alsnog met de bouw zal kunnen starten.
14. Ook de coronapandemie kan niet als een bijzondere omstandigheid worden aangemerkt. Weliswaar is het niet ondenkbaar dat dit tot enige vertraging heeft geleid in het maken van afspraken met een huurder of aannemer, maar door niet al na 26 weken maar pas na vier en een half jaar tot intrekking van de vergunning over te gaan, is hier voldoende rekening mee gehouden.
15. Eiser heeft ook de grote actuele woningbehoefte aangevoerd als reden op grond waarvan het college van intrekking van de vergunning had moeten afzien. Dit is naar het oordeel van de rechtbank evenmin een persoonlijke of bijzondere omstandigheid die eiser zelf in het bijzonder raakt, op grond waarvan het college de vergunning niet had kunnen intrekken.
16. De conclusie uit het voorgaande is dat het beroep van eiser op de aanwezigheid persoonlijke of bijzondere omstandigheden niet slaagt. Overigens al zouden er persoonlijke of bijzondere omstandigheden aanwezig zijn geweest, dan nog heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat alsnog binnen 26 weken met de bouw zou kunnen worden gestart. Gelet op de beleidsregels bestond er om die reden geen aanleiding om af te zien van het intrekken van de vergunning.
Had een advies van de welstandscommissie moeten worden gevraagd?
17. Eiser heeft aangevoerd dat er een advies van de welstandscommissie nodig was om de vergunning te kunnen intrekken. Omdat de welstandscommissie adviseur is bij het verlenen van de vergunning, is het volgens eiser de achterliggende gedachte van de Wabo dat ook advies gevraagd had moeten worden bij het intrekken van de vergunning. Eiser meent verder dat dit volgt uit een passage van de memorie van toelichting van de Wabo.
18. In het wettelijke stelsel van de Wabo noch in de memorie van toelichting of andere delen van de wetsgeschiedenis, heeft de rechtbank aanknopingspunten gevonden voor het betoog van eiser dat een welstandsadvies ten grondslag had moeten worden gelegd aan het besluit om de vergunning in te trekken. Het advies van de welstandscommissie geeft een welstandsbeoordeling van een nieuw te realiseren bouwplan.
Conclusie
23. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en de vergunning is en blijft ingetrokken. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. ing. A. Rademaker, rechter, in aanwezigheid van P. Molenaar, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2024.
[verhinderd te tekenen]
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie onder meer de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State17 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1215, 27 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3227 en 11 april 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW1564.
Eiser verwijst hiervoor naar Kamerstukken II 2006/07, 30844, nr.3. p. 27-28.
ECLI:NL:CRVB:2002:AF089, AB 2003/179.
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/220
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 augustus 2024 in de zaak tussen
[eiser] BV, uit [vestigingsplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. J. van Andel),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht
(gemachtigde: mr. K. Bounaanaa).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het intrekken van de aan hem op 1 april 2019 verleende omgevingsvergunning voor het verbouwen van het winkelpand naar drie appartementen aan het adres [adres 1] , [adres 2] en [adres 3] in [plaats] . Het college heeft deze vergunning op 11 juni 2022 ingetrokken.
2. Met het bestreden besluit van 4 december 2023 op het bezwaar van eiser is het college bij dat besluit gebleven. Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
3. De rechtbank heeft het beroep op 17 juli 2024 tijdens een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde en de gemachtigde van het college.
Beoordeling
4. De rechtbank beoordeelt of het college de vergunning kon intrekken. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
5. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Dat wil zeggen dat eiser geen gelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Wat is het beoordelingskader?
6. Voor het intrekken van de vergunning heeft het college gebruik gemaakt van de bevoegdheid uit artikel 2.33, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Die bepaling geeft het college de bevoegdheid om een vergunning voor een bouwactiviteit in te trekken, als daarvan langer dan 26 weken geen gebruik is gemaakt.
7. Omdat het intrekken van een vergunning op grond van deze bepaling geen verplichting maar een bevoegdheid is, heeft het college bij het uitoefenen hiervan beleidsruimte. De rechter toetst of het college in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen. Volgens vaste rechtspraak moeten daarbij alle relevante belangen worden geïnventariseerd en afgewogen. Daartoe behoren ook de (financiële) belangen van de vergunninghouder. Daarbij mag in aanmerking worden genomen of het niet tijdig gebruik maken van de vergunning aan de vergunninghouder is toe te rekenen. De enkele omstandigheid dat de houder van een omgevingsvergunning niet aannemelijk weet te maken dat hij deze alsnog binnen korte termijn zal benutten, is voldoende om de intrekking van een ongebruikte omgevingsvergunning te rechtvaardigen. De rechtbank ziet in deze zaak geen aanleiding om van deze vaste rechtspraak af te wijken.
8. Het college heeft voor de toepassing van de genoemde bevoegdheid beleidsregels vastgesteld. Op grond van deze beleidsregels trekt het college ongebruikte omgevingsvergunningen in, onder meer in het belang van een actueel vergunningenbestand en een feitelijke situatie die overeenkomt met de Basisadministratie Adressen en Gebouwen. Ook gebeurt dit om ‘slapende vergunningen’ te voorkomen, waardoor derde-belanghebbenden geconfronteerd kunnen worden met oude rechten waartegen geen rechtsmiddelen meer open staan of om te voorkomen dat nieuwe(re) planologische en stedenbouwkundige ontwikkelingen worden doorkruist door vergunningen die in het verleden zijn verleend. Op grond van de beleidsregels maakt het college gebruik van de bevoegdheid om een vergunning in te trekken, als meer dan drie jaar is verstreken na het onherroepelijk worden van de vergunning. Een uitzondering wordt gemaakt in het geval er urgente, zwaarwegende planologische stedenbouwkundige of technische belangen zijn, die aanleiding geven tot strikte toepassing van de 26-weken termijn. De rechtbank acht dit beleid niet onredelijk.
Was het college bevoegd tot het intrekken van de vergunning?
9. In dit geval is er meer dan drie jaar verstreken nadat de vergunning onherroepelijk werd. Op grond van artikel 2.33, eerste lid onder a, van de Wabo en de voor deze bepaling vastgestelde beleidsregels, was het college dus op zichzelf bevoegd om de vergunning in te trekken.
Heeft het college de belangen op juiste wijze geïnventariseerd en afgewogen?
10. Het college heeft eiser op 7 juni 2022 laten weten dat het voornemens was om de vergunning in te trekken. Hierbij heeft het college aan eiser de gelegenheid geboden om op dit voornemen te reageren. Daarbij heeft het college aan eiser laten weten dat het zou afzien van intrekking van de vergunning, als hij met concrete stukken aannemelijk zou maken dat alsnog binnen acht weken met de bouw zou worden gestart of dat alsnog binnen 26 weken zou worden gestart en er sprake zou zijn van persoonlijke of bijzondere omstandigheden.
11. De rechtbank oordeelt dat het college met deze werkwijze voldoende inspanningen heeft verricht om de relevante belangen te inventariseren en het besluit zorgvuldig te kunnen voorbereiden. Mede gelet op de vaste rechtspraak, acht de rechtbank ook het door het college gehanteerde uitgangspunt niet onredelijk dat het alleen van intrekking van de vergunning zou afzien, als eiser met concrete stukken aannemelijk zou maken dat alsnog binnen acht weken met de bouw zou worden gestart of dat alsnog binnen 26 weken zou worden gestart als er sprake zou zijn van persoonlijke of bijzondere omstandigheden.
12. Ook naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser hieraan niet voldaan. Eiser heeft geen concreet inzicht gegeven waarmee aannemelijk is gemaakt dat binnen acht weken zou worden gestart met de bouw. Evenmin heeft eiser, onder het vermelden van persoonlijke of bijzondere omstandigheden, inzichtelijk gemaakt dat alsnog binnen 26 weken met de bouw zou worden gestart.
13. De omstandigheid dat eiser de onderhandelingen met de huurder van het pand om een andere passende winkelruimte voor hem te vinden nog niet heeft kunnen afronden, is naar het oordeel van de rechtbank geen persoonlijke of bijzondere omstandigheid. Door een omgevingsvergunning aan te vragen voordat hierover met de huurder overeenstemming was bereikt, heeft eiser zelf het risico genomen van de onzekerheid of hij gebruik zou kunnen maken van de vergunning en voor lief genomen dat het college de ongebruikte vergunning na verloop van tijd zou kunnen intrekken. Dat eiser in de periode van drie jaar na het onherroepelijk worden van de vergunning geen overeenstemming met de huurder heeft bereikt en dat ook nog niet is gelukt in de periode tussen het moment waarop het college (op 7 juni 2022) het voornemen kenbaar maakte om de vergunning in te trekken en het moment van het bestreden besluit (op 4 december 2023), bevestigt alleen maar het beeld dat het niet aannemelijk is dat eiser binnen korte tijd alsnog met de bouw zal kunnen starten.
14. Ook de coronapandemie kan niet als een bijzondere omstandigheid worden aangemerkt. Weliswaar is het niet ondenkbaar dat dit tot enige vertraging heeft geleid in het maken van afspraken met een huurder of aannemer, maar door niet al na 26 weken maar pas na vier en een half jaar tot intrekking van de vergunning over te gaan, is hier voldoende rekening mee gehouden.
15. Eiser heeft ook de grote actuele woningbehoefte aangevoerd als reden op grond waarvan het college van intrekking van de vergunning had moeten afzien. Dit is naar het oordeel van de rechtbank evenmin een persoonlijke of bijzondere omstandigheid die eiser zelf in het bijzonder raakt, op grond waarvan het college de vergunning niet had kunnen intrekken.
16. De conclusie uit het voorgaande is dat het beroep van eiser op de aanwezigheid persoonlijke of bijzondere omstandigheden niet slaagt. Overigens al zouden er persoonlijke of bijzondere omstandigheden aanwezig zijn geweest, dan nog heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat alsnog binnen 26 weken met de bouw zou kunnen worden gestart. Gelet op de beleidsregels bestond er om die reden geen aanleiding om af te zien van het intrekken van de vergunning.
Had een advies van de welstandscommissie moeten worden gevraagd?
17. Eiser heeft aangevoerd dat er een advies van de welstandscommissie nodig was om de vergunning te kunnen intrekken. Omdat de welstandscommissie adviseur is bij het verlenen van de vergunning, is het volgens eiser de achterliggende gedachte van de Wabo dat ook advies gevraagd had moeten worden bij het intrekken van de vergunning. Eiser meent verder dat dit volgt uit een passage van de memorie van toelichting van de Wabo.
18. In het wettelijke stelsel van de Wabo noch in de memorie van toelichting of andere delen van de wetsgeschiedenis, heeft de rechtbank aanknopingspunten gevonden voor het betoog van eiser dat een welstandsadvies ten grondslag had moeten worden gelegd aan het besluit om de vergunning in te trekken. Het advies van de welstandscommissie geeft een welstandsbeoordeling van een nieuw te realiseren bouwplan.
Conclusie
23. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en de vergunning is en blijft ingetrokken. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. ing. A. Rademaker, rechter, in aanwezigheid van P. Molenaar, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2024.
[verhinderd te tekenen]
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie onder meer de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State17 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1215, 27 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3227 en 11 april 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW1564.
Eiser verwijst hiervoor naar Kamerstukken II 2006/07, 30844, nr.3. p. 27-28.
ECLI:NL:CRVB:2002:AF089, AB 2003/179.