Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-08-21
ECLI:NL:RBMNE:2024:5131
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,358 tokens
Inleiding
RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11118595 \ UC EXPL 24-3467
Vonnis van 21 augustus 2024
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: [gemachtigde] ,
tegen
[gedaagde]
,
wonend in [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding - de conclusie van antwoord - de conclusie van repliek - de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is bepaald dat vonnis zal worden gewezen.
2De kern
2.1.
[eiseres] vordert van [gedaagde] betaling van € 479,64 (hoofdsom + nevenvorderingen) in verband met de door [gedaagde] bestelde, maar niet betaalde spullen bij [bedrijf] , van wie [eiseres] de vordering heeft overgenomen. Volgens [gedaagde] hoeft zij deze niet te betalen, aangezien zij de spullen nooit heeft ontvangen. De kantonrechter is van oordeel dat de ontvangst van de spullen niet is komen vast te staan en wijst de vordering van [eiseres] af.
Beoordeling
Ontvangst van de spullen staat niet vast
3.1.
Tussen partijen staat niet ter discussie dat [gedaagde] en [bedrijf] een overeenkomst hebben gesloten op basis waarvan [bedrijf] de door [gedaagde] bestelde spullen moest leveren en [gedaagde] de koopprijs van die spullen - na cessie van de vordering (artikel 3:94 BW) - aan [eiseres] moest betalen. [gedaagde] betwist wel dat zij de bestelling heeft ontvangen en daarmee de opeisbaarheid van de vordering van [eiseres] (artikel 7:26 BW).
3.2.
Het ligt dan op de weg van [eiseres] om haar stelling dat [gedaagde] de bestelling wel ontvangen heeft, nader te onderbouwen (artikel 150 Rv). De kantonrechter is van oordeel dat zij dit onvoldoende heeft gedaan. De stelling van [eiseres] dat [bedrijf] de goederen heeft verzonden naar het door [gedaagde] opgegeven adres, zegt namelijk niets over de ontvangst hiervan. Dat [gedaagde] in 2022 niet op de aanmaningen heeft gereageerd, leidt ook niet tot de conclusie dat de spullen zijn ontvangen. Bovendien staat onweersproken vast dat [gedaagde] in 2022 aan de eerder door [eiseres] ingeschakelde deurwaarder heeft verklaard dat zij de spullen niet heeft ontvangen.
3.3.
De kantonrechter ziet geen aanleiding om [eiseres] toe te laten tot bewijslevering van haar stelling dat de goederen door [gedaagde] zijn ontvangen. [eiseres] heeft in haar conclusie van repliek aangegeven dat het voor haar niet meer mogelijk is de levering van de goederen door middel van een afleverbewijs aan te tonen en heeft voor het overige geen concreet bewijsaanbod gedaan, waaruit zou kunnen volgen dat zij zich in staat acht het bewijs op een andere manier te leveren. Aangezien niet is komen vast te staan dat [gedaagde] de bestelling heeft ontvangen, is de vordering van [eiseres] niet opeisbaar en wordt deze afgewezen.
Ambtshalve toetsing (pre)contractuele informatieplicht kan achterwege blijven
3.4.
De vordering van [eiseres] is gebaseerd op een koopovereenkomst op afstand met betrekking tot een zaak tussen een handelaar en een consument. Bij het sluiten van zo’n overeenkomst moet ter bescherming van de consument aan verschillende (pre)contractuele informatieverplichtingen worden voldaan (artikelen 6:230m en 6:230v BW). De kantonrechter moet er ambtshalve op toezien dat die voorschriften worden nageleefd, dus ook als er op dit punt geen verweer is gevoerd. Aangezien de vordering van [eiseres] wordt afgewezen, kan deze toets achterwege blijven.
[eiseres] moet de proceskosten betalen
3.5.
[eiseres] moet als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten betalen. De proceskosten worden aan de kant van [gedaagde] begroot op € 0,00.
Dictum
De kantonrechter
4.1.
wijst de vordering van [eiseres] af,
4.2.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 0,00,
Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Verschoof en in het openbaar uitgesproken op 21 augustus 2024.
Inleiding
RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11118595 \ UC EXPL 24-3467
Vonnis van 21 augustus 2024
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: [gemachtigde] ,
tegen
[gedaagde]
,
wonend in [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding - de conclusie van antwoord - de conclusie van repliek - de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is bepaald dat vonnis zal worden gewezen.
2De kern
2.1.
[eiseres] vordert van [gedaagde] betaling van € 479,64 (hoofdsom + nevenvorderingen) in verband met de door [gedaagde] bestelde, maar niet betaalde spullen bij [bedrijf] , van wie [eiseres] de vordering heeft overgenomen. Volgens [gedaagde] hoeft zij deze niet te betalen, aangezien zij de spullen nooit heeft ontvangen. De kantonrechter is van oordeel dat de ontvangst van de spullen niet is komen vast te staan en wijst de vordering van [eiseres] af.
Beoordeling
Ontvangst van de spullen staat niet vast
3.1.
Tussen partijen staat niet ter discussie dat [gedaagde] en [bedrijf] een overeenkomst hebben gesloten op basis waarvan [bedrijf] de door [gedaagde] bestelde spullen moest leveren en [gedaagde] de koopprijs van die spullen - na cessie van de vordering (artikel 3:94 BW) - aan [eiseres] moest betalen. [gedaagde] betwist wel dat zij de bestelling heeft ontvangen en daarmee de opeisbaarheid van de vordering van [eiseres] (artikel 7:26 BW).
3.2.
Het ligt dan op de weg van [eiseres] om haar stelling dat [gedaagde] de bestelling wel ontvangen heeft, nader te onderbouwen (artikel 150 Rv). De kantonrechter is van oordeel dat zij dit onvoldoende heeft gedaan. De stelling van [eiseres] dat [bedrijf] de goederen heeft verzonden naar het door [gedaagde] opgegeven adres, zegt namelijk niets over de ontvangst hiervan. Dat [gedaagde] in 2022 niet op de aanmaningen heeft gereageerd, leidt ook niet tot de conclusie dat de spullen zijn ontvangen. Bovendien staat onweersproken vast dat [gedaagde] in 2022 aan de eerder door [eiseres] ingeschakelde deurwaarder heeft verklaard dat zij de spullen niet heeft ontvangen.
3.3.
De kantonrechter ziet geen aanleiding om [eiseres] toe te laten tot bewijslevering van haar stelling dat de goederen door [gedaagde] zijn ontvangen. [eiseres] heeft in haar conclusie van repliek aangegeven dat het voor haar niet meer mogelijk is de levering van de goederen door middel van een afleverbewijs aan te tonen en heeft voor het overige geen concreet bewijsaanbod gedaan, waaruit zou kunnen volgen dat zij zich in staat acht het bewijs op een andere manier te leveren. Aangezien niet is komen vast te staan dat [gedaagde] de bestelling heeft ontvangen, is de vordering van [eiseres] niet opeisbaar en wordt deze afgewezen.
Ambtshalve toetsing (pre)contractuele informatieplicht kan achterwege blijven
3.4.
De vordering van [eiseres] is gebaseerd op een koopovereenkomst op afstand met betrekking tot een zaak tussen een handelaar en een consument. Bij het sluiten van zo’n overeenkomst moet ter bescherming van de consument aan verschillende (pre)contractuele informatieverplichtingen worden voldaan (artikelen 6:230m en 6:230v BW). De kantonrechter moet er ambtshalve op toezien dat die voorschriften worden nageleefd, dus ook als er op dit punt geen verweer is gevoerd. Aangezien de vordering van [eiseres] wordt afgewezen, kan deze toets achterwege blijven.
[eiseres] moet de proceskosten betalen
3.5.
[eiseres] moet als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten betalen. De proceskosten worden aan de kant van [gedaagde] begroot op € 0,00.
Dictum
De kantonrechter
4.1.
wijst de vordering van [eiseres] af,
4.2.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 0,00,
Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Verschoof en in het openbaar uitgesproken op 21 augustus 2024.