Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-08-26
ECLI:NL:RBMNE:2024:5130
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,774 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/2880
uitspraak van 26 augustus 2024 van de enkelvoudige kamer op het verzet van
[opposant] , te [woonplaats] , opposant.
Procesverloop
Opposant heeft een klacht ingediend bij de gemeente Lelystad (hierna: de gemeente). Bij brief van 25 april 2023 heeft de gemeente op die klacht gereageerd. Daarop heeft opposant een bezwaarschrift gestuurd naar de rechtbank.
Bij uitspraak van 26 februari 2024 heeft de rechtbank het bezwaarschrift, dat ingeboekt is als beroepschrift, niet-ontvankelijk verklaard.
Opposant heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld.
Opposant heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord. De rechtbank heeft daarvoor ook geen aanleiding gezien, zodat een zitting achterwege is gebleven.
Overwegingen
1. De rechtbank heeft in de uitspraak van 26 februari 2024 het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat de brief van de gemeente Lelystad van 25 april 2023 geen besluit is waartegen beroep open staat bij de bestuursrechter. Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij de uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 van de Awb.
2. In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank toen terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was. De rechtbank kijkt (nog) niet of opposant gelijk heeft in beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank van oordeel is dat de uitspraak van de rechtbank van 26 februari 2024 niet juist was.
3. In verzet heeft opposant aangevoerd dat hij geen inhoudelijk oordeel heeft gekregen over de hoogte van de scheidingshaag tussen zijn perceel en dat van zijn buren. Hij vindt dat artikel 5:42 BW hier geldt en dat de gemeente niet boven de wet staat.
4. De rechtbank stelt vast dat eiser bij de gemeente een klacht had ingediend over de uitleg van de gemeente ten aanzien van de hoogte van de heg tussen zijn perceel en dat van zijn buren. Bij brief van 25 april 2023 heeft de gemeente hem geïnformeerd dat in die kwestie geen taak is weggelegd voor de gemeente. Het is een zaak voor burgers onderling. Verwezen is naar artikel 5:42 van het Burgerlijk Wetboek. In verzet geeft opposant aan dat de gemeente wel actie zou moeten ondernemen en dat hij daarover een oordeel wil van de rechtbank. Opposant heeft echter beroep ingesteld tegen een brief over de afhandeling van een klacht. Daartegen staat geen beroep open bij de rechtbank (artikel 9:3 van de Algemene wet bestuursrecht). De rechtbank heeft opposant dus terecht niet-ontvankelijk verklaard in zijn beroep.
5. In wat opposant heeft aangevoerd ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding om anders te oordelen dan in de uitspraak van 26 februari 2024. Het verzet is ongegrond. Dit betekent dat de uitspraak in stand blijft.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E.H.G. Visser, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.S.D. de Weerd, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2024.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kunt u niet in hoger beroep.
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/2880
uitspraak van 26 augustus 2024 van de enkelvoudige kamer op het verzet van
[opposant] , te [woonplaats] , opposant.
Procesverloop
Opposant heeft een klacht ingediend bij de gemeente Lelystad (hierna: de gemeente). Bij brief van 25 april 2023 heeft de gemeente op die klacht gereageerd. Daarop heeft opposant een bezwaarschrift gestuurd naar de rechtbank.
Bij uitspraak van 26 februari 2024 heeft de rechtbank het bezwaarschrift, dat ingeboekt is als beroepschrift, niet-ontvankelijk verklaard.
Opposant heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld.
Opposant heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord. De rechtbank heeft daarvoor ook geen aanleiding gezien, zodat een zitting achterwege is gebleven.
Overwegingen
1. De rechtbank heeft in de uitspraak van 26 februari 2024 het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat de brief van de gemeente Lelystad van 25 april 2023 geen besluit is waartegen beroep open staat bij de bestuursrechter. Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij de uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 van de Awb.
2. In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank toen terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was. De rechtbank kijkt (nog) niet of opposant gelijk heeft in beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank van oordeel is dat de uitspraak van de rechtbank van 26 februari 2024 niet juist was.
3. In verzet heeft opposant aangevoerd dat hij geen inhoudelijk oordeel heeft gekregen over de hoogte van de scheidingshaag tussen zijn perceel en dat van zijn buren. Hij vindt dat artikel 5:42 BW hier geldt en dat de gemeente niet boven de wet staat.
4. De rechtbank stelt vast dat eiser bij de gemeente een klacht had ingediend over de uitleg van de gemeente ten aanzien van de hoogte van de heg tussen zijn perceel en dat van zijn buren. Bij brief van 25 april 2023 heeft de gemeente hem geïnformeerd dat in die kwestie geen taak is weggelegd voor de gemeente. Het is een zaak voor burgers onderling. Verwezen is naar artikel 5:42 van het Burgerlijk Wetboek. In verzet geeft opposant aan dat de gemeente wel actie zou moeten ondernemen en dat hij daarover een oordeel wil van de rechtbank. Opposant heeft echter beroep ingesteld tegen een brief over de afhandeling van een klacht. Daartegen staat geen beroep open bij de rechtbank (artikel 9:3 van de Algemene wet bestuursrecht). De rechtbank heeft opposant dus terecht niet-ontvankelijk verklaard in zijn beroep.
5. In wat opposant heeft aangevoerd ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding om anders te oordelen dan in de uitspraak van 26 februari 2024. Het verzet is ongegrond. Dit betekent dat de uitspraak in stand blijft.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E.H.G. Visser, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.S.D. de Weerd, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2024.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kunt u niet in hoger beroep.