Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-08-20
ECLI:NL:RBMNE:2024:5129
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Verzet
2,090 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/1120
uitspraak van 20 augustus 2024 van de enkelvoudige kamer op het verzet van
[opposant] , te [woonplaats] , opposant.
Procesverloop
Opposant heeft een klacht ingediend bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vijfheerenlanden (hierna: het college) naar aanleiding van het besluit van het college van 29 december 2022 inzake het ongegrond verklaren van het bezwaar van opposant tegen de afwijzing van zijn verzoek om planschade. Het college heeft de klacht doorgezonden aan de rechtbank om als beroep tegen de beslissing op bezwaar te worden behandeld.
Bij uitspraak van 4 oktober 2023 heeft de rechtbank dat beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Opposant heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld.
Opposant heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord. De rechtbank heeft daarvoor ook geen aanleiding gezien, zodat een zitting achterwege is gebleven.
Overwegingen
1. De rechtbank heeft in de uitspraak van 4 oktober 2023 het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat opposant had nagelaten het griffierecht te betalen. Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij de uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 van de Awb.
2. In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank toen terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was. De rechtbank kijkt (nog) niet of opposant gelijk heeft in beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank van oordeel is dat de uitspraak van de rechtbank van 4 oktober 2023 niet juist was.
3. In verzet heeft opposant aangevoerd dat hem, na ontvangst van de nota voor het betalen van het griffierecht, bij schrijven van 10 juli 2023 is gevraagd of hij de beroepszaak wilde intrekken of handhaven. Hij heeft in een brief van 20 juli 2023 aangegeven dat hij de zaak wilde voortzetten. In die brief heeft hij ook gesteld dat hij van mening is dat het college het beroep aanhangig heeft gemaakt en dat het college dus ook het griffierecht moet betalen. Daarna heeft opposant nog stukken ontvangen van de rechtbank en ook een pleitnotitie ingediend. Hij ging er dus van uit dat de beroepszaak nog liep en dat het college het griffierecht voor zijn rekening zou nemen. Opposant verzoekt om alsnog griffierecht te mogen betalen.
4. De rechtbank stelt vast dat aan opposant een aangetekende brief is gezonden gedateerd 6 juli 2023. In die brief is opposant verzocht het griffierecht binnen vier weken te betalen. In de brief is tevens vermeld dat als niet (tijdig) betaald wordt, opposant het risico loopt dat zijn beroepschrift niet ontvankelijk wordt verklaard. Ook is vermeld dat hij dan geen nieuwe gelegenheid krijgt om het griffierecht te betalen. Er is daarna vanuit de rechtbank geen andersluidende mededeling gekomen omtrent de betaling van het griffierecht. Opposant heeft het griffierecht willens en wetens niet betaald, omdat hij van mening was dat het college het griffierecht zou moeten betalen. Dat is onjuist. Nu opposant geen geldige reden heeft gegeven waarom hij heeft nagelaten het griffierecht tijdig te voldoen heeft de rechtbank hem terecht niet-ontvankelijk verklaard in zijn beroep.
5. In wat opposant heeft aangevoerd ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding om anders te oordelen dan in de uitspraak van 4 oktober 2023. Het verzet is ongegrond. Dit betekent dat de uitspraak in stand blijft.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E.H.G. Visser, rechter, in aanwezigheid van
M.S.D. de Weerd, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2024.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kunt u niet in hoger beroep.
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/1120
uitspraak van 20 augustus 2024 van de enkelvoudige kamer op het verzet van
[opposant] , te [woonplaats] , opposant.
Procesverloop
Opposant heeft een klacht ingediend bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vijfheerenlanden (hierna: het college) naar aanleiding van het besluit van het college van 29 december 2022 inzake het ongegrond verklaren van het bezwaar van opposant tegen de afwijzing van zijn verzoek om planschade. Het college heeft de klacht doorgezonden aan de rechtbank om als beroep tegen de beslissing op bezwaar te worden behandeld.
Bij uitspraak van 4 oktober 2023 heeft de rechtbank dat beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Opposant heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld.
Opposant heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord. De rechtbank heeft daarvoor ook geen aanleiding gezien, zodat een zitting achterwege is gebleven.
Overwegingen
1. De rechtbank heeft in de uitspraak van 4 oktober 2023 het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat opposant had nagelaten het griffierecht te betalen. Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij de uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 van de Awb.
2. In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank toen terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was. De rechtbank kijkt (nog) niet of opposant gelijk heeft in beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank van oordeel is dat de uitspraak van de rechtbank van 4 oktober 2023 niet juist was.
3. In verzet heeft opposant aangevoerd dat hem, na ontvangst van de nota voor het betalen van het griffierecht, bij schrijven van 10 juli 2023 is gevraagd of hij de beroepszaak wilde intrekken of handhaven. Hij heeft in een brief van 20 juli 2023 aangegeven dat hij de zaak wilde voortzetten. In die brief heeft hij ook gesteld dat hij van mening is dat het college het beroep aanhangig heeft gemaakt en dat het college dus ook het griffierecht moet betalen. Daarna heeft opposant nog stukken ontvangen van de rechtbank en ook een pleitnotitie ingediend. Hij ging er dus van uit dat de beroepszaak nog liep en dat het college het griffierecht voor zijn rekening zou nemen. Opposant verzoekt om alsnog griffierecht te mogen betalen.
4. De rechtbank stelt vast dat aan opposant een aangetekende brief is gezonden gedateerd 6 juli 2023. In die brief is opposant verzocht het griffierecht binnen vier weken te betalen. In de brief is tevens vermeld dat als niet (tijdig) betaald wordt, opposant het risico loopt dat zijn beroepschrift niet ontvankelijk wordt verklaard. Ook is vermeld dat hij dan geen nieuwe gelegenheid krijgt om het griffierecht te betalen. Er is daarna vanuit de rechtbank geen andersluidende mededeling gekomen omtrent de betaling van het griffierecht. Opposant heeft het griffierecht willens en wetens niet betaald, omdat hij van mening was dat het college het griffierecht zou moeten betalen. Dat is onjuist. Nu opposant geen geldige reden heeft gegeven waarom hij heeft nagelaten het griffierecht tijdig te voldoen heeft de rechtbank hem terecht niet-ontvankelijk verklaard in zijn beroep.
5. In wat opposant heeft aangevoerd ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding om anders te oordelen dan in de uitspraak van 4 oktober 2023. Het verzet is ongegrond. Dit betekent dat de uitspraak in stand blijft.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E.H.G. Visser, rechter, in aanwezigheid van
M.S.D. de Weerd, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2024.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kunt u niet in hoger beroep.