Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-08-15
ECLI:NL:RBMNE:2024:4984
Civiel recht
Kort geding
1,360 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel rechtkantonrechter
locatie Almere
Vonnis in kort geding van 15 augustus 2024
in de zaak met zaaknummer / rolnummer 11249485 / MV EXPL 24-112 M/50723 van
[eiser]
,wonende te [woonplaats] ,eiser, hierna ook te noemen: [eiser] ,gemachtigde: mr. B. Zijp,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid[gedaagde] B.V.,gevestigd te [vestigingsplaats] ,gedaagde, hierna ook te noemen: [gedaagde] ,niet verschenen.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit de dagvaarding van 7 augustus 2024.
1.2.
Op 15 augustus 2024 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden in het gebouw van de rechtbank. [eiser] is verschenen met zijn gemachtigde. Namens [gedaagde] is niemand verschenen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat is besproken op de zitting.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Geschil
2.1.
[eiser] vordert – samengevat – veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 10.875,00 (bestaande uit een hoofdsom van € 10.000,00 en de buitengerechtelijke incassokosten van € 875,00), vermeerderd met de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 15 maart 2024, dan wel vanaf 24 juli 2024, dan wel vanaf de datum van de dagvaarding, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
2.2.
[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat hij met ingang van 15 maart 2022 een obligatielening aan [gedaagde] heeft verstrekt van € 10.000,00 tegen een vast rentepercentage van 5 procent per jaar en een looptijd van twee jaar. De looptijd van de obligatielening is verstreken op 14 maart 2024. Uiterlijk op die dag moest de obligatielening van € 10.000,00 zijn terugbetaald door [gedaagde] , vermeerderd met de contractuele rente. De rentebetalingen zijn tijdens de looptijd van de obligatielening steeds voldaan, maar het geleende bedrag van € 10.000,00 is, ondanks betalingsherinneringen, niet aan [eiser] terugbetaald. Daarom vordert [eiser] (terug)betaling van het bedrag van € 10.000,00, vermeerderd met lopende rente en kosten.
Beoordeling
3.1.
Bij de dagvaarding zijn de bij de wet voorgeschreven formaliteiten in acht genomen, zodat het gevraagde verstek zal worden verleend.
3.2.
Van een spoedeisend belang van [eiser] bij zijn vorderingen is naar het oordeel van de kantonrechter, gelet op de aard van de vorderingen, voldoende gebleken.
3.3.
De vorderingen komen de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor, zodat deze zullen worden toegewezen op de wijze zoals vermeld in de beslissing. De gevorderde wettelijke rente over de hoofdsom zal worden toegewezen vanaf 15 maart 2024. Partijen zijn overeengekomen dat tegen het einde van de looptijd van de obligatielening en dus uiterlijk op 14 maart 2024 het volledige geleende bedrag zou worden terugbetaald. Daarmee is sprake van een fatale termijn. [gedaagde] is daarom vanaf 15 maart 2024 in verzuim komen te verkeren.
3.4.
[eiser] maakt aanspraak op de vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten van € 875,00. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit (hierna: het Besluit) van toepassing is. De kantonrechter stelt vast dat [eiser] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en zal worden toegewezen.
3.5.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen (inclusief nakosten) van [eiser] omdat zij ongelijk heeft gekregen. De kosten van [eiser] zijn de volgende: - dagvaarding € 143,17
- griffierecht € 248,00
- salaris gemachtigde € 529,00- nakosten € 135,00
totaal € 1.055,17
3.6.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Dictum
De kantonrechter, recht doende in kort geding:
4.1.
verleent verstek tegen de niet verschenen [gedaagde] ;
4.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 10.875,00, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 10.000,00 vanaf 24 juli 2024 tot de dag waarop het bedrag volledig is betaald;
4.3.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten van [eiser] , ter grootte van € 1.055,17, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde] ook de kosten van betekening betalen;
4.4.
veroordeelt [gedaagde] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
4.5.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
4.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. B.G.W.P. Heijne en in het openbaar uitgesproken op 15 augustus 2024.