Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-08-02
ECLI:NL:RBMNE:2024:4835
Bestuursrecht
Mondelinge uitspraak
1,447 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/4866
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 augustus 2024 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. R. Schreudering),
en
het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR)
(gemachtigde: mr. S. Sheikchote).
Inleiding
Met het bestreden besluit van 3 juni 2024 heeft het CBR de geldigheid van het rijbewijs van verzoekster geschorst en bepaald dat zij een onderzoek moet laten doen naar haar alcoholgebruik.
Verzoekster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Het CBR heeft een verweerschrift ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 2 augustus 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster en haar gemachtigde en de gemachtigde van het CBR.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling
Voor het opleggen van een onderzoek naar de rijgeschiktheid hoeft, anders dan in het strafrecht, niet wettig en overtuigend te worden bewezen dat verzoekster de bestuurder van de auto was. Voor het opleggen van het onderzoek is voldoende dat op basis van de geconstateerde feiten met voldoende mate van zekerheid komt vast te staan dat verzoekster onder invloed van alcohol als bestuurder van een motorvoertuig is opgetreden.
De voorzieningenrechter vindt dat het CBR op basis van de informatie van de politie en de aanvullende email van de hoofdagent van 22 juli 2024 met voldoende mate van zekerheid heeft kunnen vaststellen dat verzoekster onder invloed van alcohol een auto heeft bestuurd. Uit die informatie blijkt dat verzoekster aankomt op het parkeerterrein en dat zij ongeveer twaalf minuten later door de beveiliging bewusteloos in haar geparkeerde auto wordt aangetroffen. Het promillage van verzoekster was 2,05. De voorzieningenrechter is het met het CBR eens dat het onaannemelijk is dat verzoekster in slechts twaalf minuten zoveel alcohol heeft gedronken dat zij daardoor een promillage van 2,05 in haar bloed had en bewusteloos is geraakt.
De voorzieningenrechter vindt ook dat verzoekster met haar verklaringen op de zitting niet aannemelijk heeft gemaakt dat de informatie van de politie onjuist is. Verzoekster zegt dat zij de auto op het terrein had geparkeerd omdat zij daar opgehaald zou worden door vrienden. Omdat het wachten lang duurde, heeft zij op een gegeven moment enkele slokken sterke drank genomen uit een fles die zij bij zich had. Een aantal slokken sterke drank kunnen het bij verzoekster aangetroffen promillage echter niet verklaren. Dat zij daar lang zou hebben gestaan, staat daarnaast haaks op de twaalf minuten die uit de politie informatie volgt.
Daarbij komt nog dat het onder deze omstandigheden niet uitmaakt welk promillage verzoekster in haar bloed had op het moment dat zij de auto op het terrein parkeerde. Door in de auto te gaan drinken nadat zij de auto had geparkeerd heeft verzoekster zelf veroorzaakt dat het niet meer viel vast te stellen wat het alcoholgehalte tijdens het besturen van de auto was. Dat komt voor haar rekening en risico.
Of verzoekster enkel door het activeren van het start-/stopsysteem van de auto als bestuurder moet worden aangemerkt, vindt de voorzieningenrechter gelet op het voorgaande niet meer relevant. De feiten en omstandigheden die hiervoor genoemd zijn, vindt zij namelijk voldoende voor het vermoeden dat verzoekster onder invloed van alcohol een auto heeft bestuurd.
Het CBR mocht dus overgaan tot het opleggen van het onderzoek naar de rijgeschiktheid. Omdat verzoekster meer dan 1,8 promille in haar bloed had moest het CBR ook de geldigheid van het rijbewijs schorsen.
Het bezwaar heeft geen redelijke kans van slagen.
De voorzieningenrechter moet bij een verzoek om een voorlopige voorziening ook altijd nog zelf de belangen afwegen, maar als al duidelijk is dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft, is er weinig ruimte om op grond van een belangenafweging nog te beslissen dat verzoekster haar rijbewijs nu (tijdelijk) terug moet krijgen. De voorzieningenrechter begrijpt dat het belang van verzoekster om het rijbewijs terug te krijgen groot is vanwege haar werk, maar dat weegt op dit moment niet zwaarder dan het algemene belang van de verkeersveiligheid wat het CBR moet waarborgen.
Conclusie
9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat het rijbewijs van verzoekster geschorst blijft totdat het CBR op haar bezwaar beslist. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
10. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 2 augustus 2024 door mr. A.A.M. Elzakkers, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. B.L. Kosterman-Meijer, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.