Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-08-12
ECLI:NL:RBMNE:2024:4834
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,833 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Familierecht
Locatie Utrecht
Zaaknummers:
C/16/576041 / FO RK 24-667 (provisionele voorziening)
C/16/575475 / FO RK 24-603 (bodemprocedure)
Omgang
Beschikking van 12 augustus 2024
in de zaak van:
[de moeder]
,
wonende in [woonplaats 1] ,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. K. Spaargaren ,
tegen
[de vader]
,
wonende in [woonplaats 2] ,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. K. van Bijsterveld.
Procesverloop
1.1.
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
het verzoekschrift van de moeder, binnengekomen op 6 mei 2024;
de aanvullende stukken van de moeder (productie 1 tot en met 14) van 15 juli 2024;
het verweerschrift (met bijlagen) van de vader, met daarin een aantal zelfstandige verzoeken (tegenverzoeken);
het aanvullende stuk van de vader (productie 11) van 19 juli 2024;
de aanvullende stukken van de moeder (productie 15 tot en met 22) van 22 juli 2024;
het aanvullende stuk van de vader (productie 12) van 25 juli 2024;
de pleitaantekeningen van mr. Spaargaren , overgelegd ter zitting.
1.2.
De verzoeken zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 26 juli 2024. Daarbij waren de ouders aanwezig met hun advocaten en mevrouw [A] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
1.3.
De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om de minderjarige [minderjarige (voornaam)] , de zoon van de ouders, in de gelegenheid te stellen om aan de kinderrechter te vertellen wat hij van de verzoeken vindt. De kinderrechter is daartoe alleen verplicht bij kinderen die twaalf jaar of ouder zijn. Als ze jonger zijn mág de kinderrechter dat doen.
2Waar de procedure over gaat
Feiten
2.1.
De ouders hebben een relatie met elkaar gehad.
2.2.
Zij hebben samen een kind: [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2017 in [geboorteplaats] (België). [minderjarige (voornaam)] woont bij de vader.
2.3.
De vader heeft alleen het gezag over [minderjarige (voornaam)] . Dat betekent dat hij alleen de belangrijke beslissingen over [minderjarige (voornaam)] kan nemen.
2.4.
Bij beschikking van 18 januari 2024 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden – kort gezegd – beslist dat [minderjarige (voornaam)] en de moeder eens per twee weken voor de duur van vier uur omgang hebben, waarbij de enkel het begin en het eind van de omgangsmomenten kort worden begeleid door [organisatie] en waarbij de omgang plaatsvindt op de locatie van [organisatie] . Daarnaast heeft het gerechtshof bepaald dat de regie op de zorg zal liggen bij de gemeente waar [minderjarige (voornaam)] woont.
2.5.
[minderjarige (voornaam)] heeft van 11 april 2018 tot 11 april 2023 onder toezicht gestaan. Bij beschikking van 20 juni 2024 heeft de kinderrechter het verzoek van de Raad om [minderjarige (voornaam)] opnieuw onder toezicht te stellen, afgewezen.
De verzoeken
2.6.
De moeder heeft de rechtbank verzocht om een provisionele voorziening te treffen. Een provisionele voorziening is een noodmaatregel die geldt voor de duur van de procedure tussen partijen. De procedure waar het om gaat, wordt de bodemprocedure genoemd. Als provisionele voorziening heeft de moeder de rechtbank verzocht om te bepalen dat [minderjarige (voornaam)] met onmiddellijke ingang eens per twee weken bij de moeder verblijft van vrijdagmiddag uit school tot zondagmiddag 19.00 uur.
2.7.
De moeder heeft de rechtbank in de bodemprocedure verzocht om te bepalen dat:
[minderjarige (voornaam)] eens per twee weken van vrijdagmiddag uit school tot zondag 19.00 uur bij de moeder verblijft;
[minderjarige (voornaam)] in de zomervakantie gedurende één week onafgebroken bij de moeder verblijft en dat de vakanties erna bij helfte worden gedeeld;
de vader een dwangsom moet betalen van € 1.000,- per keer dat hij zich niet aan de beslissing houdt;
de proceskosten van de ouders worden gecompenseerd.
2.8.
De vader is het niet eens met de verzoeken van de moeder. Hij wil dat de verzoeken worden afgewezen. Daarnaast verzoekt de vader de rechtbank om:
te bepalen dat de omgangsregeling die is vastgesteld bij beschikking van 18 januari 2024 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor de duur van minimaal drie jaar dient te worden uitgevoerd;
de moeder te veroordelen in de proceskosten.
Beoordeling
De provisionele voorziening
3.1.
De rechtbank kan alleen een provisionele voorziening treffen, als is voldaan aan een aantal wettelijke vereisten. De rechtbank constateert dat niet aan alle vereisten op grond van de wet is voldaan. De moeder heeft namelijk geen (spoedeisend) belang bij de gevraagde provisionele voorziening, omdat de provisionele voorziening gelijktijdig met de bodemprocedure wordt behandeld en er in beide procedures na twee weken beschikking zal worden gewezen. De rechtbank zal het verzoek van de moeder daarom afwijzen.
De bodemprocedure
3.2.
De rechtbank zal de moeder veroordelen in de proceskosten en alle overige verzoeken van de ouders afwijzen. De rechtbank zal hierna uitleggen waarom zij deze beslissing neemt.
Juridisch kader
3.3.
Op grond van het eerste lid van artikel 1:377e van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen ouders de rechtbank vragen om een eerdere beslissing over de omgangsregeling te wijzigen, als:
de omstandigheden daarna zijn gewijzigd;
er bij de eerdere beslissing is uitgegaan van onjuiste of onvolledige gegevens.
In het tweede lid van artikel 1:377e BW staat dat een beslissing waarbij de omgang tussen de ouder en het kind is ontzegd, ook kan worden gewijzigd na verloop van een periode van een jaar nadat de vorige beslissing in kracht van gewijsde is gegaan. Kracht van gewijsde houdt in dat een beslissing onherroepelijk is, omdat er geen rechtsmiddel (bijvoorbeeld hoger beroep) meer kan worden ingezet tegen de beslissing.
Geen grond voor wijziging
3.4.
De rechtbank stelt voorop dat de ouders een lange geschiedenis kennen van (jeugd)hulpverlening en procedures bij verschillende gerechten. Daaraan leek een eind te zijn gekomen met de afwijzing van het verzoek om [minderjarige (voornaam)] opnieuw onder toezicht te stellen en de beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 18 januari 2024 over de definitieve omgangsregeling tussen de moeder en [minderjarige (voornaam)] . Volgens de moeder is het hof in die procedure echter uitgegaan van onjuiste of onvolledige gegevens, omdat het hof haar oordeel heeft gebaseerd op de borgingsrapportage van de toenmalige gezinsvoogd. Die rapportage staat volgens de moeder vol met aantoonbaar onjuiste feiten. Daarnaast hebben zich twee gebeurtenissen voorgedaan die volgens de moeder kwalificeren als een wijziging van omstandigheden: de vader heeft [minderjarige (voornaam)] in 2023 een aantal maanden bij de moeder weggehouden en er heeft zich in maart 2024 een incident voorgedaan tussen de ouders. De vader heeft deze stellingen van de moeder betwist. De enige wijziging van omstandigheden die zich heeft voorgedaan, is dat de moeder opnieuw een procedure is gestart. Dat maakt volgens de vader dat de door het hof vastgestelde omgangsregeling moet worden vastgelegd voor de duur van drie jaar.
3.5.
Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat het hof zich in haar beslissing van 18 januari 2024 heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige gegevens. De rechtbank ziet op dit moment geen reden om te twijfelen aan de deskundigheid of juistheid van de borgingsrapportage. Hoewel de moeder zegt daar mee bezig te zijn, is er op dit moment geen oordeel van een klachtencommissie of iets soortgelijks waaruit blijkt dat die rapportage onjuist is. Ook de door de moeder overgelegde producties 1 tot en met 22 onderbouwen de stelling van de moeder niet. De producties betreffen onder andere (algemene) wetenschappelijke publicaties, correspondentie over dwangsommen, een oud verslag van een onderzoekstafel over de interactie tussen de moeder en [minderjarige (voornaam)] , eerdere beschikkingen, delen van het NIFP-rapport, een verklaring van de heer [B] waarover eerder door de rechtbank is geoordeeld dat die niet in staat is om onafhankelijk en objectief advies te geven, et cetera. De producties staan vol algemeenheden of het betreft informatie die niet relevant is, zoals bijvoorbeeld de passages over de zorgen over het seksueel misbruik: daarover is eerder al geoordeeld dat dat dat niet is komen vast te staan en dat heeft ook niet ten grondslag gelegen aan de beslissing van het hof. De moeder heeft bovendien niet voldaan aan de substantiëringsplicht: de producties zijn (zeer) omvangrijk en het is niet aan de rechtbank om daar in te grasduinen. De moeder had concreet moeten maken welke onderdelen van welke producties welke stelling onderbouwen, maar dat heeft zij nagelaten. Nergens blijkt concreet uit dat de rapportage (of welke onderdelen daarvan) onjuist zou zijn.
3.6.
Daar komt bij dat het hof haar oordeel bovendien niet heeft gebaseerd op de borgingsrapportage. Uit de beschikking van 18 januari 2024 volgt dat het hof de omgangsregeling op deze manier heeft vastgesteld, omdat de houding van de moeder rondom de omgangsmomenten voor veel onrust zorgt. De moeder blijft namelijk strijden tegen de vader en blijft hem en de betrokken instanties e-mails sturen, en dat is niet in het belang van [minderjarige (voornaam)] . Dus zelfs als de borgingsrapportage onjuistheden zou bevatten, is die informatie niet de reden dat de omgangsregeling op deze manier is vastgelegd.
3.7.
Ook van een wijziging van omstandigheden is geen sprake. Dat de vader de moeder in maart van dit jaar op ongepaste wijze heeft aangesproken in het bijzijn van [minderjarige (voornaam)] , maakt niet dat de omstandigheden zijn gewijzigd. Het incident kan belastend zijn geweest voor [minderjarige (voornaam)] , maar dit losstaande incident is onvoldoende om te concluderen dat het in het belang van [minderjarige (voornaam)] zou zijn om minder bij de vader te zijn. Ook het feit dat [minderjarige (voornaam)] en de moeder elkaar in 2023 enkele maanden niet hebben gezien kwalificeert niet als een wijziging van omstandigheden. Deze gebeurtenissen hebben namelijk plaatsgevonden vóór 18 januari 2024. De stelling van de moeder dat er hoe dan ook een wijzigingsverzoek kan worden gedaan na een jaar, gerekend vanaf de datum van de oorspronkelijke beschikking van de rechtbank (van 6 april 2023), is ook onjuist. Niet alleen dient te worden gerekend vanaf de laatst geldende beschikking, in dit geval die van het hof van 18 januari 2024, maar ook geldt die maatstaf enkel voor beslissingen waarbij de omgang tussen een ouder en een kind is ontzegd, zoals besproken onder 3.3. Daarvan is in dit geval geen sprake. De rechtbank ziet tot slot ook geen wijziging van omstandigheden in het feit dat de moeder opnieuw een procedure is gestart, zoals de vader stelt. Het gedrag van de moeder lijkt namelijk onveranderd sinds de beslissing van het hof. Maar ook als de rechtbank wel aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek van de vader zou toekomen, acht de rechtbank het niet in het belang van [minderjarige (voornaam)] om de omgangsregeling voor de duur van drie jaar vast te leggen, zoals hij verzoekt. Hoewel die wens van de vader invoelbaar is, gelet op de jarenlange onrust, is niet te voorzien hoe [minderjarige (voornaam)] zich de komende jaren ontwikkelt en hoe de omgang de komende tijd gaat verlopen.
3.8.
Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen grond om de door het hof vastgestelde omgangsregeling te wijzigen. De rechtbank zal de verzoeken van de ouders daarom afwijzen.
De (proces)houding van de moeder
3.9.
Hoewel de rechtbank verder niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van de omgangsregeling, ziet de rechtbank zich genoodzaakt om het volgende op te merken. Uit de stukken en de eerdere beschikkingen volgt dat meerdere rechters zich inmiddels hebben uitgesproken over het hardnekkige gedragspatroon waar de moeder zich in bevindt.
Dictum
De rechtbank:
4.1.
veroordeelt de moeder in de kosten van deze procedure aan de zijde van de vader, begroot op € 1.528,-;
4.2.
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;
4.3.
wijst de verzoeken van de ouders voor het overige af.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. N. Chedra, (kinder)rechter in samenwerking met mr. L.A. Nettekoven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2024.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.
Artikel 809 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
Artikel 223 Rv.