Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-08-01
ECLI:NL:RBMNE:2024:4818
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,384 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/5131
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
1 augustus 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gooise Meren
(gemachtigde: A.J. van Espeldoorn).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het verkeersbesluit van het college om twee parkeervakken te reserveren voor het opladen van elektrische voertuigen. In het verkeersbesluit staat dat de laadpalen ter hoogte van de [adres] worden geplaatst.
1.1.
Eiser heeft tegen dat verkeersbesluit bezwaar gemaakt, omdat de parkeerplekken niet ter hoogte van de [adres] komen, maar 100 meter verderop aan de [straat] . Daarom is het verkeersbesluit volgens eiser onzorgvuldig.
1.2.
Met het bestreden besluit van 13 oktober 2023 op het bezwaar van eiser is het college bij het verkeersbesluit gebleven.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep van eiser op 1 augustus 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het college.
1.4.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling
2. De rechtbank is van oordeel dat het beroep van eiser niet-ontvankelijk is wegens ontbreken van een procesbelang. De rechtbank motiveert dat als volgt.
3. Procesbelang is een voorwaarde voor ontvankelijkheid. Voordat de rechtbank toe kan komen aan een inhoudelijke beoordeling van de bestreden besluiten, moet de rechtbank ambtshalve toetsen of sprake is van procesbelang.
4. Procesbelang houdt in dat iemand een resultaat nastreeft met de procedure dat ook daadwerkelijk kan worden bereikt met die procedure. Bovendien moet het realiseren van dat resultaat voor eiser feitelijk betekenis hebben. Het hebben van alleen een formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van procesbelang.
5. Eiser heeft beroep ingesteld tegen een verkeersbesluit van het college tot het reserveren van twee parkeervakken voor het opladen van elektrische auto’s. Eiser is het niet oneens met het feit dat het college de twee parkeervakken voor het opladen heeft aangewezen, maar hij stelt dat de aanduiding van de locatie van de parkeervakken in het verkeersbesluit niet juist is. Eiser heeft op zitting toegelicht waarom dat voor hem van belang is. Eiser heeft daarbij gesteld dat het hem is te doen om de zorgvuldigheid en de juistheid van het besluit van de overheid. Die moet volgens eiser in orde zijn, ook om een hellend vlak te voorkomen.
6. Op basis van wat met eiser op de zitting is besproken stelt de rechtbank vast dat eiser met zijn beroep geen ander rechtsgevolg van het verkeersbesluit beoogt, maar dat hij enkel formele en principiële bezwaren heeft tegen het besluit. Dit betekent dat het resultaat dat eiser met zijn beroep nastreeft geen feitelijke betekenis heeft. In het geval van een gegrond beroep en een aanpassing van het besluit, verandert er in de fysieke ruimte feitelijk niets.
7. Een procesbelang kan ook nog zijn gelegen in schade. Dan moet wel op zekere hoogte aannemelijk zijn geworden dat er sprake is van schade als gevolg van het besluit. Eiser heeft gesteld dat hij schade heeft geleden, omdat hij veel tijd heeft gestoken in deze procedure en hij daarvoor ook juridisch advies heeft ingewonnen. Dit duidt niet op schade als gevolg van het besluit zelf, maar op gemaakte kosten in de procedure.
8. De rechtbank merkt verder op dat in gemaakte proceskosten ook geen procesbelang kan worden aangenomen. Wel kan er voor de rechtbank aanleiding zijn om – ondanks het niet-ontvankelijk verklaren vanwege het ontbreken van procesbelang – toch proceskosten te vergoeden. Daar ziet de rechtbank in dit geval ook geen aanleiding voor. Dat eiser geen procesbelang heeft, is namelijk geen gevolg van het handelen van het college.
9. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2024 door mr. P.J. Blok, rechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Mollerus, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.