Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-08-07
ECLI:NL:RBMNE:2024:4791
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,724 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 10252586 \ MC EXPL 22-7293
Vonnis van 7 augustus 2024 op het verzoek tot verbetering in de zin van artikel 31 Rv
in de zaak van
1 [eiser sub 1] ,
te [plaats] ,2. [eiseres sub 2],
te [plaats] ,
eisende partijen,
hierna samen in mannelijk enkelvoud te noemen: [eisers c.s] ,
gemachtigde: mr. R. Dijkema,
tegen
1 [gedaagde sub 1] ,
te [plaats] ,2. [gedaagde sub 2],
te [plaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen in vrouwelijk enkelvoud te noemen: [gedaagden c.s] ,
gemachtigde: mr. H.C. Uittenbogaard.
1Het verzoek tot verbetering
1.1.
Bij brief van 11 juli 2024 heeft [gedaagden c.s] de kantonrechter bericht dat het haar voorkomt dat het dictum van het vonnis van 31 januari 2024 een kennelijk fout bevat. Volgens haar heeft de kantonrechter overwogen dat de erfgrens werd gevormd door de achterzijde van de schuur en het duivenhok (aan de zijde van de [adres 1] ). In het dictum is echter beslist dat de erfgrens loopt langs de achterzijde van de overkapping en het houthok (aan de zijde van de [adres 2] ). Dit betekent volgens [gedaagden c.s] dat de grens geen rechte lijn vormt met het metalen hekwerk, maar inspringt richting het perceel [adres 1] .
1.2.
Bij brief van 22 juli 2024 heeft [eisers c.s] op het verzoek van [gedaagden c.s] gereageerd en daar bezwaar tegen gemaakt.
Beoordeling
2.1.
In haar verzoek gaat [gedaagden c.s] uit van de veronderstelling dat de achterzijde van de overkapping voor de containers en het houthok (aan de zijde van de [adres 2] ) niet in één rechte, doorlopende lijn met het metalen hekwerk liep, maar insprong richting het perceel [adres 1] . Deze stelling van [gedaagden c.s] heeft de kantonrechter in overweging 2.12 en 2.13 van het vonnis van 31 januari 2024 al besproken en verworpen. De achterzijde van de houten overkapping en het houthok stonden (nagenoeg) tegen de denkbeeldige lijn, welke getrokken kan worden vanaf (de restanten van) het metalen hekwerk tot de stenen schuur. Waar de achterzijde van de houten overkapping en het houthok zich precies bevond, kan worden afgeleid uit de foto’s die [eisers c.s] bij akte van 17 maart 2023 zijn overgelegd. De houten overkapping en het houthok konden zich overigens ook niet (ver) voorbij de denkbeeldige lijn bevinden, omdat aan de andere zijde van deze lijn de houten schuur en het duivenhok stonden. Deze vier bouwwerken stonden (nagenoeg) met hun achterzijde tegen elkaar aan.
2.2.
Het voorgaande betekent dat het verzoek van [gedaagden c.s] neerkomt op een inhoudelijke heropening van het geschil. Daarvoor leent artikel 31 Rv zich niet. [eisers c.s] moet daarvoor een rechtsmiddel aanwenden. Van een kennelijke fout die zich leent voor eenvoudig herstel is geen sprake. Het verzoek om verbetering wordt daarom afgewezen.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
wijst het verzoek af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. van Wegen en in het openbaar uitgesproken op 7 augustus 2024.
45353
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 10252586 \ MC EXPL 22-7293
Vonnis van 7 augustus 2024 op het verzoek tot verbetering in de zin van artikel 31 Rv
in de zaak van
1 [eiser sub 1] ,
te [plaats] ,2. [eiseres sub 2],
te [plaats] ,
eisende partijen,
hierna samen in mannelijk enkelvoud te noemen: [eisers c.s] ,
gemachtigde: mr. R. Dijkema,
tegen
1 [gedaagde sub 1] ,
te [plaats] ,2. [gedaagde sub 2],
te [plaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen in vrouwelijk enkelvoud te noemen: [gedaagden c.s] ,
gemachtigde: mr. H.C. Uittenbogaard.
1Het verzoek tot verbetering
1.1.
Bij brief van 11 juli 2024 heeft [gedaagden c.s] de kantonrechter bericht dat het haar voorkomt dat het dictum van het vonnis van 31 januari 2024 een kennelijk fout bevat. Volgens haar heeft de kantonrechter overwogen dat de erfgrens werd gevormd door de achterzijde van de schuur en het duivenhok (aan de zijde van de [adres 1] ). In het dictum is echter beslist dat de erfgrens loopt langs de achterzijde van de overkapping en het houthok (aan de zijde van de [adres 2] ). Dit betekent volgens [gedaagden c.s] dat de grens geen rechte lijn vormt met het metalen hekwerk, maar inspringt richting het perceel [adres 1] .
1.2.
Bij brief van 22 juli 2024 heeft [eisers c.s] op het verzoek van [gedaagden c.s] gereageerd en daar bezwaar tegen gemaakt.
Beoordeling
2.1.
In haar verzoek gaat [gedaagden c.s] uit van de veronderstelling dat de achterzijde van de overkapping voor de containers en het houthok (aan de zijde van de [adres 2] ) niet in één rechte, doorlopende lijn met het metalen hekwerk liep, maar insprong richting het perceel [adres 1] . Deze stelling van [gedaagden c.s] heeft de kantonrechter in overweging 2.12 en 2.13 van het vonnis van 31 januari 2024 al besproken en verworpen. De achterzijde van de houten overkapping en het houthok stonden (nagenoeg) tegen de denkbeeldige lijn, welke getrokken kan worden vanaf (de restanten van) het metalen hekwerk tot de stenen schuur. Waar de achterzijde van de houten overkapping en het houthok zich precies bevond, kan worden afgeleid uit de foto’s die [eisers c.s] bij akte van 17 maart 2023 zijn overgelegd. De houten overkapping en het houthok konden zich overigens ook niet (ver) voorbij de denkbeeldige lijn bevinden, omdat aan de andere zijde van deze lijn de houten schuur en het duivenhok stonden. Deze vier bouwwerken stonden (nagenoeg) met hun achterzijde tegen elkaar aan.
2.2.
Het voorgaande betekent dat het verzoek van [gedaagden c.s] neerkomt op een inhoudelijke heropening van het geschil. Daarvoor leent artikel 31 Rv zich niet. [eisers c.s] moet daarvoor een rechtsmiddel aanwenden. Van een kennelijke fout die zich leent voor eenvoudig herstel is geen sprake. Het verzoek om verbetering wordt daarom afgewezen.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
wijst het verzoek af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. van Wegen en in het openbaar uitgesproken op 7 augustus 2024.
45353