Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-08-05
ECLI:NL:RBMNE:2024:4727
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,442 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/4829
uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 augustus 2024 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nieuwegein, verweerder.
Verder is partij bij de zaak:
de gemeente Nieuwegein, vergunninghouder.
Inleiding
1. Met het besluit van 10 juli 2024 heeft het college aan de gemeente een omgevingsvergunning verleend voor het in afwijking van het omgevingsplan uitbreiden van de tijdelijke opvanglocatie voor asielzoekers in het gebouw [gebouw] van 200 naar 300 personen.
2. Verzoeker woont in de omgeving. Hij heeft bezwaar gemaakt bij het college en hij heeft daarnaast de voorzieningenrechter gevraagd om de werking van de omgevingsvergunning op te schorten totdat het college op zijn bezwaar heeft beslist.
3. Verzoeker vindt dat de uitbreiding van de opvanglocatie een te grote belasting voor de wijk oplevert. De concentratie van personen in de wijk zal toenemen, wat nu al zichtbaar is door asielzoekers die in groepjes rondhangen in de speeltuin en de hardloopbaan. Zij hebben onvoldoende dagbesteding. Het effect hiervan is dat met name jonge vrouwen uit de wijk de speeltuin en de hardloopbaan inmiddels vermijden. Een toename tot 300 asielzoekers leidt tot een verdere onevenredige verdeling in een wijk met zo’n 1.750 inwoners. Het aantal moet 200 blijven, om de acceptatiegraad in de wijk op orde te houden. Er zijn nu al veel mensen die zich niet serieus genomen voelen door de gemeente of die zich in de eigen wijk onveilig voelen. Het is redelijk om te verlangen dat de 100 extra personen in een andere wijk in de gemeente worden gehuisvest.
Beoordeling
4. De huisvesting van 200 asielzoekers is eerder al vergund in afwijking van het omgevingsplan, met de omgevingsvergunning van 6 juni 2024. Verzoeker heeft daar geen bezwaar tegen gemaakt. Daaruit moet worden afgeleid dat hij net als het college vindt dat het aantal van 200 asielzoekers niet in strijd is met het criterium van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5. De voorzieningenrechter vindt dat er geen sprake is van een zodanig spoedeisende situatie waarbij verzoeker er belang bij heeft dat de opvanglocatie nu niet voor 300 asielzoekers mag worden gebruikt. De voorzieningenrechter weegt het belang dat verzoeker heeft bij het voorkomen van de door hem aangekaarte overlast en druk op de wijk minder zwaar dan het belang dat de gemeente heeft bij het leveren van een bijdrage aan het oplossen van de vluchtelingencrisis en de huisvestingsproblematiek van het COA. Daarbij weegt vooral mee dat verzoeker 200 personen wel acceptabel vindt en dat een toename naar 300 personen naar verwachting in de wijk slechts beperkt merkbaar zal zijn. De voorzieningenrechter weegt ook mee dat verzoeker wel in de buurt, maar niet direct naast de opvanglocatie woont, op een afstand van hemelsbreed ongeveer 250 meter, met daartussen water en een onbebouwd stuk grasland.
6. De voorzieningenrechter heeft de omgevingsvergunning en het bezwaarschrift bekeken en ziet op voorhand geen evidente fouten in het besluit. Daarbij heeft hij betrokken dat in het besluit is gemotiveerd dat de ruimtelijke uitstraling van de toename van 200 naar 300 opvangplekken beperkt is en dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
7. De voorzieningenrechter begrijpt de wens van verzoeker dat asielzoekers ook in andere wijken van de gemeente worden gehuisvest. Hoe het college daarmee om gaat is echter een politiek-bestuurlijke afweging waar de bestuursrechter zich niet mee mag bemoeien als de besluitvorming verder goed is gegaan. Dat asielzoekers ook ergens anders kunnen worden gehuisvest, betekent met andere woorden niet dat de rechter de nu gemaakte keuze moet verbieden.
Conclusie
8. Het verzoek om een voorlopige voorziening moet als ongegrond worden afgewezen. Dit is zo duidelijk, dat daarvoor geen zitting bij de voorzieningenrechter nodig is. Het college hoeft geen proceskosten of griffierecht te vergoeden.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. de Meulder, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.S.D. de Weerd, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2024.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/4829
uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 augustus 2024 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nieuwegein, verweerder.
Verder is partij bij de zaak:
de gemeente Nieuwegein, vergunninghouder.
Inleiding
1. Met het besluit van 10 juli 2024 heeft het college aan de gemeente een omgevingsvergunning verleend voor het in afwijking van het omgevingsplan uitbreiden van de tijdelijke opvanglocatie voor asielzoekers in het gebouw [gebouw] van 200 naar 300 personen.
2. Verzoeker woont in de omgeving. Hij heeft bezwaar gemaakt bij het college en hij heeft daarnaast de voorzieningenrechter gevraagd om de werking van de omgevingsvergunning op te schorten totdat het college op zijn bezwaar heeft beslist.
3. Verzoeker vindt dat de uitbreiding van de opvanglocatie een te grote belasting voor de wijk oplevert. De concentratie van personen in de wijk zal toenemen, wat nu al zichtbaar is door asielzoekers die in groepjes rondhangen in de speeltuin en de hardloopbaan. Zij hebben onvoldoende dagbesteding. Het effect hiervan is dat met name jonge vrouwen uit de wijk de speeltuin en de hardloopbaan inmiddels vermijden. Een toename tot 300 asielzoekers leidt tot een verdere onevenredige verdeling in een wijk met zo’n 1.750 inwoners. Het aantal moet 200 blijven, om de acceptatiegraad in de wijk op orde te houden. Er zijn nu al veel mensen die zich niet serieus genomen voelen door de gemeente of die zich in de eigen wijk onveilig voelen. Het is redelijk om te verlangen dat de 100 extra personen in een andere wijk in de gemeente worden gehuisvest.
Beoordeling
4. De huisvesting van 200 asielzoekers is eerder al vergund in afwijking van het omgevingsplan, met de omgevingsvergunning van 6 juni 2024. Verzoeker heeft daar geen bezwaar tegen gemaakt. Daaruit moet worden afgeleid dat hij net als het college vindt dat het aantal van 200 asielzoekers niet in strijd is met het criterium van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5. De voorzieningenrechter vindt dat er geen sprake is van een zodanig spoedeisende situatie waarbij verzoeker er belang bij heeft dat de opvanglocatie nu niet voor 300 asielzoekers mag worden gebruikt. De voorzieningenrechter weegt het belang dat verzoeker heeft bij het voorkomen van de door hem aangekaarte overlast en druk op de wijk minder zwaar dan het belang dat de gemeente heeft bij het leveren van een bijdrage aan het oplossen van de vluchtelingencrisis en de huisvestingsproblematiek van het COA. Daarbij weegt vooral mee dat verzoeker 200 personen wel acceptabel vindt en dat een toename naar 300 personen naar verwachting in de wijk slechts beperkt merkbaar zal zijn. De voorzieningenrechter weegt ook mee dat verzoeker wel in de buurt, maar niet direct naast de opvanglocatie woont, op een afstand van hemelsbreed ongeveer 250 meter, met daartussen water en een onbebouwd stuk grasland.
6. De voorzieningenrechter heeft de omgevingsvergunning en het bezwaarschrift bekeken en ziet op voorhand geen evidente fouten in het besluit. Daarbij heeft hij betrokken dat in het besluit is gemotiveerd dat de ruimtelijke uitstraling van de toename van 200 naar 300 opvangplekken beperkt is en dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
7. De voorzieningenrechter begrijpt de wens van verzoeker dat asielzoekers ook in andere wijken van de gemeente worden gehuisvest. Hoe het college daarmee om gaat is echter een politiek-bestuurlijke afweging waar de bestuursrechter zich niet mee mag bemoeien als de besluitvorming verder goed is gegaan. Dat asielzoekers ook ergens anders kunnen worden gehuisvest, betekent met andere woorden niet dat de rechter de nu gemaakte keuze moet verbieden.
Conclusie
8. Het verzoek om een voorlopige voorziening moet als ongegrond worden afgewezen. Dit is zo duidelijk, dat daarvoor geen zitting bij de voorzieningenrechter nodig is. Het college hoeft geen proceskosten of griffierecht te vergoeden.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. de Meulder, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.S.D. de Weerd, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2024.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.