Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-07-24
ECLI:NL:RBMNE:2024:4638
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
7,286 tokens
Inleiding
RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/565979 / HA ZA 23-718
Vonnis bij vervroeging van 24 juli 2024
in de zaak van
[eiser]
,
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. S.H.O. Aben,
tegen
COÖPERATIEVE RABOBANK U.A.,
gevestigd te Utrecht,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Rabobank,
advocaat: mr. L. Hageman.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 13 november 2023;
de akte indienen producties van [eiser] ;
de akte tot rectificatie van [eiser] ;
de conclusie van antwoord met producties;
de akte indienen productie van [eiser] ;
de mondelinge behandeling van 25 juni 2024, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt;
de spreekaantekeningen van mr. Aben.
1.2.
Daarna is bepaald dat er een vonnis zal worden uitgesproken op 7 augustus 2024. Deze uitspraakdatum is met twee weken vervroegd.
2De kern van de zaak
[eiser] heeft in november 2021 bij Rabobank een financiering aangevraagd vanwege de aankoop van een penthouse. Rabobank heeft geen hypotheek verstrekt, waardoor [eiser] bij [bedrijf] tegen een hogere hypotheekrente een hypotheek heeft moeten afsluiten. [eiser] stelt dat Rabobank haar zorgplicht heeft geschonden en dat zij aansprakelijk is voor de schade die daaruit voortvloeit. De rechtbank komt hierna tot de conclusie dat er geen zorgplicht is geschonden. De vorderingen van [eiser] zullen daarom worden afgewezen.
3De achtergrond van het geschil
3.1.
In januari 2021 heeft [eiser] bij Rabobank een financiering aangevraagd voor de aankoop van een woningbouwkavel. Ter behandeling van de financieringsaanvraag is eerst een inkomensverklaring door Rabobank opgesteld, aan de hand van door [eiser] aangeleverde stukken. Daarna is het adviestraject gestart en is er op 25 maart 2021 een ‘klantrapport lenen en wonen’ aan [eiser] toegezonden. [eiser] heeft op 25 maart 2021 een offerte voor de financiering ondertekend.
3.2.
Op 10 november 2021 heeft [eiser] opnieuw een financiering aangevraagd bij Rabobank. Deze aanvraag is gedaan vanwege de aankoop van een penthouse zonder financieringsvoorbehoud. Op 2 december 2021 heeft Rabobank aan [eiser] verzocht om diverse documenten, waaronder de jaarcijfers van de verschillende ondernemingen van [eiser] , zodat er een nieuwe inkomensverklaring kon worden opgesteld. Deze documenten zijn in de week van 31 januari 2022 bij Rabobank aangeleverd en op 22 februari 2022 is de inkomensverklaring opgesteld.
3.3.
Bij de toetsing van de financieringsaanvraag heeft Rabobank rekening gehouden met het feit dat er binnen tien jaar een inkomensdaling werd verwacht vanwege het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. Daarom is deze financieringsaanvraag afgewezen. Dat heeft Rabobank op 22 april 2022 aan [eiser] weten.
3.4.
In een voorlopig getuigenverhoor zijn in het najaar van 2023 op verzoek van [eiser] gehoord: de heer [A] (financieel adviseur Rabobank; hierna [A] ), de heer [B] (bankier Rabobank; hierna [B] ), de heer [C] (specialist Inkomensverklaringen Rabobank; hierna te noemen [C] ) en de heer [D] (voormalig directeur Particulieren bij Rabobank Peel, Maas en Leudal; hierna [D] ).
3.5.
Volgens [eiser] heeft Rabobank haar zorgplicht tegenover hem geschonden in het traject van de tweede financieringsaanvraag. Daarom vordert hij verklaringen voor recht dat Rabobank de zorgplicht heeft geschonden en dat Rabobank aansprakelijk is voor de schade die daaruit voortvloeit. Rabobank betwist de vorderingen.
Beoordeling
Rabobank had in november 2021 niet kunnen en hoeven communiceren over afwijzing van de financieringsaanvraag vanwege een gewijzigd beleid
4.1.
Op 29 april 2022 heeft [A] aan [eiser] een e-mail verzonden, waarin
de financieringsaanvraag van [eiser] wordt afgewezen. De reden daarvoor is het bereiken
van de AOW datum door [eiser].
Volgens [eiser] had Rabobank in november 2021 al aan hem moeten communiceren dat zijn financieringsaanvraag werd afgewezen vanwege het toekomstig pensioeninkomen, omdat Rabobank toen al met een gewijzigd beleid bekend was en wist dat dit een obstakel vormde voor de financiering. Die stelling wordt niet gevolgd. De redenen daarvoor zijn de volgende.
Er is niet gebleken dat Rabobank in november 2021 al een gewijzigd beleid had, dat inhield dat [eiser] vanwege zijn toekomstig pensioeninkomen geen financiering zou kunnen verkrijgen. Dat blijkt niet uit het citaat van de brief van 22 september 2022 (productie 41 bij dagvaarding): “Daarnaast betreft de financieringsaanvraag van begin december 2021 een nieuwe financieringsaanvraag die wordt getoetst aan de op dat moment geldende acceptatievoorwaarden bij de bank.” Dit citaat houdt verband met een eerdere stelling van [eiser] dat het toekomstig pensioeninkomen al bij de eerste financieringsaanvraag van januari 2021 had moeten worden getoetst. In reactie daarop legt Rabobank in de brief van 22 september 2022 in het algemeen uit dat iedere nieuwe financieringsaanvraag aan de op dat moment geldende voorwaarden wordt getoetst. Dit betekent niet dat Rabobank in november 2021 al wist dat de financieringsaanvraag vanwege gewijzigd beleid zou worden afgewezen op grond van het toekomstig pensioeninkomen.
De financieringsaanvraag van [eiser] is als zelfstandig ondernemer wat complexer. Daarom moet een hypotheekadviseur voor een inkomensverklaring een interne specialist inschakelen. Er moet immers worden vastgesteld wat het huidige inkomen is en wat het te verwachten toekomstige inkomen is. Daarvoor moet ook worden beoordeeld hoe zijn bedrijf zich in de toekomst zal gaan ontwikkelen. Daarom heeft [A] de heer [E] , werkzaam als specialist Inkomensverklaring-C; hierna [E] , ingeschakeld. Gezien die complexiteit kon er in november 2021 nog niets worden gezegd over de aanvraag van [eiser] .
Daarnaast betwist Rabobank dat op het moment van het indienen van een financieringsaanvraag er een toetsing (aan de hand van het geldende beleid) plaatsvindt. Die toetsing vindt pas plaats in de adviesfase, zo heeft Rabobank toegelicht. Dat was in februari/maart 2022 en niet in november 2021. Toetsing van een aanvraag in november 2021 is ook niet logisch, want op dat moment zijn nog niet alle stukken compleet en is er nog geen volledig beeld van het inkomen. Er valt dan nog geen volledig advies te geven. Zo moest er nog onderzoek worden gedaan naar de gevolgen van de coronasteunmaatregelen die [eiser] had ontvangen en zijn verdere inkomensverwachtingen worden bekeken.
Bovendien is onweersproken aangevoerd dat het beleid bij Rabobank steeds verder aangescherpt werd, inhoudende dat de regelruimte voor hypotheekadviseurs beperkter werd. De hypotheekadviseurs hadden minder mogelijkheden bij het verstrekken van hypotheken. Dat is ook een tendens die landelijk merkbaar is.
Het was geen verplichting van Rabobank om het gebrek in de eerste inkomensverklaring te communiceren aan [eiser]
4.2.
Tussen partijen staat niet ter discussie dat op de inkomensverklaring, behorend bij de eerste financieringsaanvraag van [eiser] , een handtekening is geplaatst door een persoon die niet bevoegd was om toestemming te verlenen voor dividenduitkeringen aan [eiser] . Om toekomstige dividendinkomsten mee te kunnen nemen, zoals toen is gebeurd, was een verklaring van de daarvoor bevoegde instantie wel nodig. Hoewel hiermee een gebrek kleeft aan de eerste inkomensverklaring, bestond er geen verplichting bij Rabobank om dit te laten weten aan [eiser] . Nog daargelaten dat [eiser] niet inzichtelijk heeft gemaakt op grond waarvan Rabobank die verplichting heeft, zijn de cijfers in de inkomensverklaring verder wel juist. Volgens [eiser] zou er een onterechte vertraging zijn ontstaan in de behandeling van die tweede aanvraag doordat [E] , verantwoordelijk voor de eerste inkomensverklaring, door die fout aan zichzelf is gaan twijfelen en hulp heeft gevraagd van [B] . Dat volgt echter niet uit de stukken. Uit de e-mail van 19 november 2021 van [E] aan [B] blijkt [E] niet weet hoe hij om moet gaan met Coronasteun bij het bepalen van inkomen uit overwinst.
Rabobank heeft voldoende voortvarend gehandeld bij behandeling van de financieringsaanvraag
4.3.
Op 2 december 2021 zijn diverse documenten bij [eiser] opgevraagd. [eiser] verwijt Rabobank dat zij te lang heeft gewacht met het opvragen van documenten, waardoor er veel meer documenten benodigd waren. Hij verwijst daarvoor naar een e-mailbericht van
11 november 2021 van [A] , waarin een beslistool van Rabobank is opgenomen (productie 21 bij dagvaarding). In deze beslistool is uiteengezet welke documenten er per periode nodig zijn voor de behandeling van een financieringsaanvraag. [eiser] stelt aan de hand van deze beslistool dat er in de maand november bij ‘Winst- en verliesrekening’ geen benodigde gegevens staan vermeld, terwijl dat bij de maand december wel het geval is (namelijk gegevens ten aanzien van ‘Q2 2021’). Hoewel dat op zich juist is, leidt dat niet tot de conclusie dat er meer documenten zijn opgevraagd door een vertraging van Rabobank. In de kolom van de maand november is namelijk vermeld dat bij ‘dividend uit minderheidsdeelneming’ ook overgelegd moet worden ‘Halfjaarcijfers t/m 30 jun’ en ‘Prognose 2021’. Omdat sprake was van dividend uit minderheidsdeelneming waren die gegevens hoe dan ook nodig. Het had daarom voor de hoeveelheid documenten niet uitgemaakt als Rabobank in november 2021 de documenten had opgevraagd. Dit standpunt van [eiser] wordt daarom niet gevolgd.
4.4.
[eiser] wordt ook niet gevolgd in zijn stelling dat de behandeltermijn voor een financieringsaanvraag ruimschoots is overschreden. Het dossier van [eiser] betrof geen standaarddossier. Vanwege de coronasteunmaatregelen en de ontwikkeling daarin waren er bijzonderheden die tijd en aandacht vergden. Daardoor is het logisch dat de behandeltermijn van 4 tot 8 weken niet haalbaar was. Bovendien heeft [eiser] geen aanleiding gezien om er meer haast achter te zetten. Hij heeft zelf beslist dat hij het volledige plaatje aan definitieve cijfers wilde overleggen in plaats van een voorlopige prognose. Daardoor waren de stukken pas in de week van 31 januari 2022 compleet en kon op dat moment pas een
inkomensverklaring worden opgesteld. Onweersproken is ook tijdens de mondelinge behandeling uitgelegd door Rabobank dat zij in de adviesfase nog geprobeerd hebben om oplossingen te zoeken voor [eiser] , wat niet is gelukt. De conclusie is daarom dat Rabobank in de omstandigheden voldoende voortvarend heeft gehandeld.
Rabobank heeft met haar communicatie geen verkeerde verwachtingen gewekt bij [eiser]
4.5.
[eiser] stelt dat hij uit bewoordingen van Rabobank heeft afgeleid dat een financiering mogelijk was. Dat kan echter niet worden afgeleid uit de correspondentie. Daaruit blijkt juist het tegendeel. Op 22 februari 2022 heeft [A] aan [eiser] bericht dat er perspectief is maar geen uitsluitsel over de gewenste financiering. Er zijn geen toezeggingen gedaan door Rabobank en ook geen verwachting gewekt waar [eiser] zich op kan beroepen.
Dictum
De rechtbank
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.094,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis – voor wat betreft de proceskostenveroordeling – uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.A.T. van Rens en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2024.
Er staat in die afwijzing: “(…) Echter wanneer de pensioendatum (lees AOW datum) binnen 10 jaar ligt dan moet er ook getoetst worden op basis van het toekomstig pensioeninkomen. Hieraan kan niet worden voldaan. Het feit dat de toekomstige werkelijke situatie (bijvoorbeeld doorwerken-ondernemen, aandelen verkoop of goed management team waardoor dividend kan doorlopen) wellicht anders is dan stoppen op AOW-leeftijd doet niet ter zaken. Ik heb samen met mijn manager gezocht naar mogelijkheden om op basis van explain een route te vinden welke een financiële oplossing voor jou mogelijk maakt maar helaas is deze niet gevonden. (…)”
productie 23 bij dagvaarding
[E] schrijft: “(…) ik heb een ondernemer gesproken, die vraagt hoe wij omgaan met het rekenen van overwinst in het geval dat er Coronasteun is ontvangen. (…) Ik heb hem medegedeeld dat de voorwaarden voor de bank belemmerend zijn om het inkomen uit overwinst mee te tellen. Daarop heeft hij een aantal verdiepende vragen gesteld, waarbij ik gezegd heb dat mijn kennis niet toereikend is en dat ik hiervoor collega’s moet raadplegen. Ofwel, ik kom hier niet uit. Eerder dit jaar is door mij voor deze ondernemer een IKV afgegeven. Betreft een niet alledaagse casus (…).”
productie 29 bij dagvaarding
Hij schrijft: “Het afgegeven inkomen biedt in combinatie met het inkomen van jouw partner perspectief om de zaak in behandeling te nemen. Zoals besproken kunnen wij nog geen uitsluitsel geven over de door jou gewenste financiering. Wij hebben hiervoor nog verschillende documenten nodig.”
Inleiding
RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/565979 / HA ZA 23-718
Vonnis bij vervroeging van 24 juli 2024
in de zaak van
[eiser]
,
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. S.H.O. Aben,
tegen
COÖPERATIEVE RABOBANK U.A.,
gevestigd te Utrecht,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Rabobank,
advocaat: mr. L. Hageman.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 13 november 2023;
de akte indienen producties van [eiser] ;
de akte tot rectificatie van [eiser] ;
de conclusie van antwoord met producties;
de akte indienen productie van [eiser] ;
de mondelinge behandeling van 25 juni 2024, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt;
de spreekaantekeningen van mr. Aben.
1.2.
Daarna is bepaald dat er een vonnis zal worden uitgesproken op 7 augustus 2024. Deze uitspraakdatum is met twee weken vervroegd.
2De kern van de zaak
[eiser] heeft in november 2021 bij Rabobank een financiering aangevraagd vanwege de aankoop van een penthouse. Rabobank heeft geen hypotheek verstrekt, waardoor [eiser] bij [bedrijf] tegen een hogere hypotheekrente een hypotheek heeft moeten afsluiten. [eiser] stelt dat Rabobank haar zorgplicht heeft geschonden en dat zij aansprakelijk is voor de schade die daaruit voortvloeit. De rechtbank komt hierna tot de conclusie dat er geen zorgplicht is geschonden. De vorderingen van [eiser] zullen daarom worden afgewezen.
3De achtergrond van het geschil
3.1.
In januari 2021 heeft [eiser] bij Rabobank een financiering aangevraagd voor de aankoop van een woningbouwkavel. Ter behandeling van de financieringsaanvraag is eerst een inkomensverklaring door Rabobank opgesteld, aan de hand van door [eiser] aangeleverde stukken. Daarna is het adviestraject gestart en is er op 25 maart 2021 een ‘klantrapport lenen en wonen’ aan [eiser] toegezonden. [eiser] heeft op 25 maart 2021 een offerte voor de financiering ondertekend.
3.2.
Op 10 november 2021 heeft [eiser] opnieuw een financiering aangevraagd bij Rabobank. Deze aanvraag is gedaan vanwege de aankoop van een penthouse zonder financieringsvoorbehoud. Op 2 december 2021 heeft Rabobank aan [eiser] verzocht om diverse documenten, waaronder de jaarcijfers van de verschillende ondernemingen van [eiser] , zodat er een nieuwe inkomensverklaring kon worden opgesteld. Deze documenten zijn in de week van 31 januari 2022 bij Rabobank aangeleverd en op 22 februari 2022 is de inkomensverklaring opgesteld.
3.3.
Bij de toetsing van de financieringsaanvraag heeft Rabobank rekening gehouden met het feit dat er binnen tien jaar een inkomensdaling werd verwacht vanwege het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. Daarom is deze financieringsaanvraag afgewezen. Dat heeft Rabobank op 22 april 2022 aan [eiser] weten.
3.4.
In een voorlopig getuigenverhoor zijn in het najaar van 2023 op verzoek van [eiser] gehoord: de heer [A] (financieel adviseur Rabobank; hierna [A] ), de heer [B] (bankier Rabobank; hierna [B] ), de heer [C] (specialist Inkomensverklaringen Rabobank; hierna te noemen [C] ) en de heer [D] (voormalig directeur Particulieren bij Rabobank Peel, Maas en Leudal; hierna [D] ).
3.5.
Volgens [eiser] heeft Rabobank haar zorgplicht tegenover hem geschonden in het traject van de tweede financieringsaanvraag. Daarom vordert hij verklaringen voor recht dat Rabobank de zorgplicht heeft geschonden en dat Rabobank aansprakelijk is voor de schade die daaruit voortvloeit. Rabobank betwist de vorderingen.
Beoordeling
Rabobank had in november 2021 niet kunnen en hoeven communiceren over afwijzing van de financieringsaanvraag vanwege een gewijzigd beleid
4.1.
Op 29 april 2022 heeft [A] aan [eiser] een e-mail verzonden, waarin
de financieringsaanvraag van [eiser] wordt afgewezen. De reden daarvoor is het bereiken
van de AOW datum door [eiser].
Volgens [eiser] had Rabobank in november 2021 al aan hem moeten communiceren dat zijn financieringsaanvraag werd afgewezen vanwege het toekomstig pensioeninkomen, omdat Rabobank toen al met een gewijzigd beleid bekend was en wist dat dit een obstakel vormde voor de financiering. Die stelling wordt niet gevolgd. De redenen daarvoor zijn de volgende.
Er is niet gebleken dat Rabobank in november 2021 al een gewijzigd beleid had, dat inhield dat [eiser] vanwege zijn toekomstig pensioeninkomen geen financiering zou kunnen verkrijgen. Dat blijkt niet uit het citaat van de brief van 22 september 2022 (productie 41 bij dagvaarding): “Daarnaast betreft de financieringsaanvraag van begin december 2021 een nieuwe financieringsaanvraag die wordt getoetst aan de op dat moment geldende acceptatievoorwaarden bij de bank.” Dit citaat houdt verband met een eerdere stelling van [eiser] dat het toekomstig pensioeninkomen al bij de eerste financieringsaanvraag van januari 2021 had moeten worden getoetst. In reactie daarop legt Rabobank in de brief van 22 september 2022 in het algemeen uit dat iedere nieuwe financieringsaanvraag aan de op dat moment geldende voorwaarden wordt getoetst. Dit betekent niet dat Rabobank in november 2021 al wist dat de financieringsaanvraag vanwege gewijzigd beleid zou worden afgewezen op grond van het toekomstig pensioeninkomen.
De financieringsaanvraag van [eiser] is als zelfstandig ondernemer wat complexer. Daarom moet een hypotheekadviseur voor een inkomensverklaring een interne specialist inschakelen. Er moet immers worden vastgesteld wat het huidige inkomen is en wat het te verwachten toekomstige inkomen is. Daarvoor moet ook worden beoordeeld hoe zijn bedrijf zich in de toekomst zal gaan ontwikkelen. Daarom heeft [A] de heer [E] , werkzaam als specialist Inkomensverklaring-C; hierna [E] , ingeschakeld. Gezien die complexiteit kon er in november 2021 nog niets worden gezegd over de aanvraag van [eiser] .
Daarnaast betwist Rabobank dat op het moment van het indienen van een financieringsaanvraag er een toetsing (aan de hand van het geldende beleid) plaatsvindt. Die toetsing vindt pas plaats in de adviesfase, zo heeft Rabobank toegelicht. Dat was in februari/maart 2022 en niet in november 2021. Toetsing van een aanvraag in november 2021 is ook niet logisch, want op dat moment zijn nog niet alle stukken compleet en is er nog geen volledig beeld van het inkomen. Er valt dan nog geen volledig advies te geven. Zo moest er nog onderzoek worden gedaan naar de gevolgen van de coronasteunmaatregelen die [eiser] had ontvangen en zijn verdere inkomensverwachtingen worden bekeken.
Bovendien is onweersproken aangevoerd dat het beleid bij Rabobank steeds verder aangescherpt werd, inhoudende dat de regelruimte voor hypotheekadviseurs beperkter werd. De hypotheekadviseurs hadden minder mogelijkheden bij het verstrekken van hypotheken. Dat is ook een tendens die landelijk merkbaar is.
Het was geen verplichting van Rabobank om het gebrek in de eerste inkomensverklaring te communiceren aan [eiser]
4.2.
Tussen partijen staat niet ter discussie dat op de inkomensverklaring, behorend bij de eerste financieringsaanvraag van [eiser] , een handtekening is geplaatst door een persoon die niet bevoegd was om toestemming te verlenen voor dividenduitkeringen aan [eiser] . Om toekomstige dividendinkomsten mee te kunnen nemen, zoals toen is gebeurd, was een verklaring van de daarvoor bevoegde instantie wel nodig. Hoewel hiermee een gebrek kleeft aan de eerste inkomensverklaring, bestond er geen verplichting bij Rabobank om dit te laten weten aan [eiser] . Nog daargelaten dat [eiser] niet inzichtelijk heeft gemaakt op grond waarvan Rabobank die verplichting heeft, zijn de cijfers in de inkomensverklaring verder wel juist. Volgens [eiser] zou er een onterechte vertraging zijn ontstaan in de behandeling van die tweede aanvraag doordat [E] , verantwoordelijk voor de eerste inkomensverklaring, door die fout aan zichzelf is gaan twijfelen en hulp heeft gevraagd van [B] . Dat volgt echter niet uit de stukken. Uit de e-mail van 19 november 2021 van [E] aan [B] blijkt [E] niet weet hoe hij om moet gaan met Coronasteun bij het bepalen van inkomen uit overwinst.
Rabobank heeft voldoende voortvarend gehandeld bij behandeling van de financieringsaanvraag
4.3.
Op 2 december 2021 zijn diverse documenten bij [eiser] opgevraagd. [eiser] verwijt Rabobank dat zij te lang heeft gewacht met het opvragen van documenten, waardoor er veel meer documenten benodigd waren. Hij verwijst daarvoor naar een e-mailbericht van
11 november 2021 van [A] , waarin een beslistool van Rabobank is opgenomen (productie 21 bij dagvaarding). In deze beslistool is uiteengezet welke documenten er per periode nodig zijn voor de behandeling van een financieringsaanvraag. [eiser] stelt aan de hand van deze beslistool dat er in de maand november bij ‘Winst- en verliesrekening’ geen benodigde gegevens staan vermeld, terwijl dat bij de maand december wel het geval is (namelijk gegevens ten aanzien van ‘Q2 2021’). Hoewel dat op zich juist is, leidt dat niet tot de conclusie dat er meer documenten zijn opgevraagd door een vertraging van Rabobank. In de kolom van de maand november is namelijk vermeld dat bij ‘dividend uit minderheidsdeelneming’ ook overgelegd moet worden ‘Halfjaarcijfers t/m 30 jun’ en ‘Prognose 2021’. Omdat sprake was van dividend uit minderheidsdeelneming waren die gegevens hoe dan ook nodig. Het had daarom voor de hoeveelheid documenten niet uitgemaakt als Rabobank in november 2021 de documenten had opgevraagd. Dit standpunt van [eiser] wordt daarom niet gevolgd.
4.4.
[eiser] wordt ook niet gevolgd in zijn stelling dat de behandeltermijn voor een financieringsaanvraag ruimschoots is overschreden. Het dossier van [eiser] betrof geen standaarddossier. Vanwege de coronasteunmaatregelen en de ontwikkeling daarin waren er bijzonderheden die tijd en aandacht vergden. Daardoor is het logisch dat de behandeltermijn van 4 tot 8 weken niet haalbaar was. Bovendien heeft [eiser] geen aanleiding gezien om er meer haast achter te zetten. Hij heeft zelf beslist dat hij het volledige plaatje aan definitieve cijfers wilde overleggen in plaats van een voorlopige prognose. Daardoor waren de stukken pas in de week van 31 januari 2022 compleet en kon op dat moment pas een
inkomensverklaring worden opgesteld. Onweersproken is ook tijdens de mondelinge behandeling uitgelegd door Rabobank dat zij in de adviesfase nog geprobeerd hebben om oplossingen te zoeken voor [eiser] , wat niet is gelukt. De conclusie is daarom dat Rabobank in de omstandigheden voldoende voortvarend heeft gehandeld.
Rabobank heeft met haar communicatie geen verkeerde verwachtingen gewekt bij [eiser]
4.5.
[eiser] stelt dat hij uit bewoordingen van Rabobank heeft afgeleid dat een financiering mogelijk was. Dat kan echter niet worden afgeleid uit de correspondentie. Daaruit blijkt juist het tegendeel. Op 22 februari 2022 heeft [A] aan [eiser] bericht dat er perspectief is maar geen uitsluitsel over de gewenste financiering. Er zijn geen toezeggingen gedaan door Rabobank en ook geen verwachting gewekt waar [eiser] zich op kan beroepen.
Dictum
De rechtbank
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.094,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis – voor wat betreft de proceskostenveroordeling – uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.A.T. van Rens en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2024.
Er staat in die afwijzing: “(…) Echter wanneer de pensioendatum (lees AOW datum) binnen 10 jaar ligt dan moet er ook getoetst worden op basis van het toekomstig pensioeninkomen. Hieraan kan niet worden voldaan. Het feit dat de toekomstige werkelijke situatie (bijvoorbeeld doorwerken-ondernemen, aandelen verkoop of goed management team waardoor dividend kan doorlopen) wellicht anders is dan stoppen op AOW-leeftijd doet niet ter zaken. Ik heb samen met mijn manager gezocht naar mogelijkheden om op basis van explain een route te vinden welke een financiële oplossing voor jou mogelijk maakt maar helaas is deze niet gevonden. (…)”
productie 23 bij dagvaarding
[E] schrijft: “(…) ik heb een ondernemer gesproken, die vraagt hoe wij omgaan met het rekenen van overwinst in het geval dat er Coronasteun is ontvangen. (…) Ik heb hem medegedeeld dat de voorwaarden voor de bank belemmerend zijn om het inkomen uit overwinst mee te tellen. Daarop heeft hij een aantal verdiepende vragen gesteld, waarbij ik gezegd heb dat mijn kennis niet toereikend is en dat ik hiervoor collega’s moet raadplegen. Ofwel, ik kom hier niet uit. Eerder dit jaar is door mij voor deze ondernemer een IKV afgegeven. Betreft een niet alledaagse casus (…).”
productie 29 bij dagvaarding
Hij schrijft: “Het afgegeven inkomen biedt in combinatie met het inkomen van jouw partner perspectief om de zaak in behandeling te nemen. Zoals besproken kunnen wij nog geen uitsluitsel geven over de door jou gewenste financiering. Wij hebben hiervoor nog verschillende documenten nodig.”