Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-06-11
ECLI:NL:RBMNE:2024:4415
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,028 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/313
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 juni 2024 in de zaak tussen
[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het Uwv), verweerder.
Inleiding
1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoeker om vergoeding van zijn proceskosten. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak op dit verzoek van verzoeker.
2. Verzoeker heeft bij de rechtbank beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van 18 december 2023. In deze beslissing op bezwaar heeft het Uwv het bezwaar van verzoeker tegen het primaire besluit van 27 juni 2023 ongegrond verklaard. In het primaire besluit van 27 juni 2023 heeft het Uwv medegedeeld dat verzoek over de periode 4 maart 2022 tot en met 31 juli 2023 € 9.857,37 te veel aan voorschot heeft gekregen.
3. Met het besluit van 19 maart 2024 heeft het Uwv de beslissing op bezwaar van 10 oktober 2023 gewijzigd en afgezien van de terugvordering van € 9.857,37.
4. Verzoeker heeft hierna het beroep ingetrokken en de rechtbank verzocht om het Uwv te veroordelen in de proceskosten. Het Uwv heeft niet gereageerd op dit verzoek.
Overwegingen
5. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75 van de Awb.
6. Met het gewijzigde besluit van 19 maart 2024 heeft het Uwv besloten af te zien van de terugvordering omdat het handhaven van de terugvordering strijd oplevert met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Hiermee is het Uwv aan verzoeker tegemoet gekomen. De rechtbank zal echter geen vergoeding voor de proceskosten toekennen. Hierna legt zij uit waarom.
7. In artikel 1 van het Bpb is bepaald welke kosten voor vergoeding in aanmerking komen. Dit betreft een limitatieve opsomming. Dit betekent dat kosten die buiten deze opsomming vallen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Verzoeker heeft verzocht om vergoeding van 1 uur juridisch advies a € 211,75. Dit valt niet onder beroepsmatig verleende rechtsbijstand door een derde als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, van het Bpb. Ook is niet gebleken dat verzoeker andere kosten heeft gemaakt als genoemd in het Bpb. De rechtbank wijst het verzoek tot een proceskostenveroordeling af.
8. Voor het door verzoeker betaalde griffierecht geldt dat deze kosten op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb door het Uwv moeten worden vergoed. Verzoeker moet zich voor de vergoeding van deze kosten daarom rechtstreeks tot het Uwv wenden.
Dictum
De rechtbank wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y.N.M. Rijlaarsdam, rechter, in aanwezigheid van P.W. Hogenbirk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2024.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/313
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 juni 2024 in de zaak tussen
[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het Uwv), verweerder.
Inleiding
1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoeker om vergoeding van zijn proceskosten. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak op dit verzoek van verzoeker.
2. Verzoeker heeft bij de rechtbank beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van 18 december 2023. In deze beslissing op bezwaar heeft het Uwv het bezwaar van verzoeker tegen het primaire besluit van 27 juni 2023 ongegrond verklaard. In het primaire besluit van 27 juni 2023 heeft het Uwv medegedeeld dat verzoek over de periode 4 maart 2022 tot en met 31 juli 2023 € 9.857,37 te veel aan voorschot heeft gekregen.
3. Met het besluit van 19 maart 2024 heeft het Uwv de beslissing op bezwaar van 10 oktober 2023 gewijzigd en afgezien van de terugvordering van € 9.857,37.
4. Verzoeker heeft hierna het beroep ingetrokken en de rechtbank verzocht om het Uwv te veroordelen in de proceskosten. Het Uwv heeft niet gereageerd op dit verzoek.
Overwegingen
5. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75 van de Awb.
6. Met het gewijzigde besluit van 19 maart 2024 heeft het Uwv besloten af te zien van de terugvordering omdat het handhaven van de terugvordering strijd oplevert met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Hiermee is het Uwv aan verzoeker tegemoet gekomen. De rechtbank zal echter geen vergoeding voor de proceskosten toekennen. Hierna legt zij uit waarom.
7. In artikel 1 van het Bpb is bepaald welke kosten voor vergoeding in aanmerking komen. Dit betreft een limitatieve opsomming. Dit betekent dat kosten die buiten deze opsomming vallen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Verzoeker heeft verzocht om vergoeding van 1 uur juridisch advies a € 211,75. Dit valt niet onder beroepsmatig verleende rechtsbijstand door een derde als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, van het Bpb. Ook is niet gebleken dat verzoeker andere kosten heeft gemaakt als genoemd in het Bpb. De rechtbank wijst het verzoek tot een proceskostenveroordeling af.
8. Voor het door verzoeker betaalde griffierecht geldt dat deze kosten op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb door het Uwv moeten worden vergoed. Verzoeker moet zich voor de vergoeding van deze kosten daarom rechtstreeks tot het Uwv wenden.
Dictum
De rechtbank wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y.N.M. Rijlaarsdam, rechter, in aanwezigheid van P.W. Hogenbirk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2024.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.