Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-04-10
ECLI:NL:RBMNE:2024:4299
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,650 tokens
Inleiding
RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Amersfoort
Zaaknummer: 10740763 \ AC EXPL 23-2288 / JB 61169
Vonnis van 10 april 2024
in de zaak van
[eiser] HANDELEND ONDER DE NAAM [handelsnaam],
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [handelsnaam] ,
gemachtigde: De Ruijter & Willemsen gerechtsdeurwaarders en incasso B.V.,
tegen
[gedaagde]
,
wonend in [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. J.A. Spigt.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding; - de conclusie van antwoord; - de conclusie van repliek; - de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is bepaald dat er een vonnis zal worden uitgesproken.
Beoordeling
Wat is er gebeurd?
2.1.
[handelsnaam] is bij [gedaagde] langs geweest voor de uitvoering van bouwwerkzaamheden in het huis van [gedaagde] . Het ging om het verplaatsen van een muur in de woning en het maken van een deur onder de trap. Toen [handelsnaam] bij de woning van [gedaagde] aankwam bleek de muur die [gedaagde] verplaatst wilde hebben een draagmuur te zijn. Voor het verplaatsten van een draagmuur is vóór aanvang van de werkzaamheden een vergunning vereist. [gedaagde] had deze vergunning niet, en daarom is [handelsnaam] weer weggegaan zonder werkzaamheden te hebben verricht. [handelsnaam] heeft [gedaagde] op 16 april 2023 een factuur gestuurd voor een bedrag van in totaal € 877,25. [handelsnaam] vordert in deze procedure betaling van deze factuur. [gedaagde] stelt dat hij [handelsnaam] alleen heeft gevraagd bij zijn woning te komen kijken of een muur in zijn woning verplaatst kon worden en of hij een deur onder de trap kon maken. Toen bleek dat dat niet mogelijk was, is [handelsnaam] weer vertrokken. Volgens [gedaagde] is hij de factuur van [handelsnaam] niet verschuldigd, omdat er nooit een overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen. De kantonrechter zal de vordering van [handelsnaam] afwijzen en legt hieronder uit waarom.
[handelsnaam] moet bewijzen dat er tussen hem en [gedaagde] een overeenkomst tot stand is gekomen
2.2.
De bewijslast van de stelling dat er tussen partijen een overeenkomst is gesloten op grond waarvan [gedaagde] de factuur verschuldigd is ligt bij [handelsnaam] . [handelsnaam] stelt zich namelijk op het standpunt dat er een overeenkomst tussen haar en [gedaagde] is gesloten en [gedaagde] heeft dit gemotiveerd betwist. Het staat vast dat (i) [handelsnaam] een bezoek heeft gebracht bij [gedaagde] thuis, (ii) dat er geen werkzaamheden zijn verricht en (iii) dat er vooraf contact moet zijn geweest tussen partijen. Het is voor de kantonrechter echter volstrekt onduidelijk hoe partijen met elkaar in contact zijn gekomen en wat er vooraf (al dan niet) tussen partijen is afgesproken. Het ligt op de weg van [handelsnaam] om nader te onderbouwen wat partijen precies zijn overeengekomen. [handelsnaam] heeft hiervoor onvoldoende onderbouwd gesteld.
Het is niet komen vast te staan dat er een overeenkomst is gesloten tussen [handelsnaam] en [gedaagde]
2.3.
Ter onderbouwing van zijn vordering heeft [handelsnaam] een aantal onleesbare facturen overlegd, waaruit zou blijken dat hij materiaalkosten heeft gemaakt. Daarnaast heeft [handelsnaam] de factuur overlegd die hij [gedaagde] heeft gestuurd. Daarin staat dat [handelsnaam] vijf uren in rekening brengt van drie werknemers, tegen een tarief van € 45,- per uur. Ook is er één dag aan reiskosten vermeld, waarvoor
€ 50,- is gerekend. [handelsnaam] heeft deze kosten verder niet met stukken of verklaringen van zijn personeel onderbouwd. Verder heeft [handelsnaam] een vertaling overlegd van een (naar het standpunt van [handelsnaam] onterecht) verhaal dat [gedaagde] heeft geplaatst in een Facebook groep over zijn ervaringen met [handelsnaam] . Uit geen van de door [handelsnaam] overlegde stukken kan worden afgeleid wat partijen zijn overeengekomen en of er een overeenkomst tussen haar en [gedaagde] bestaat. Zo heeft [handelsnaam] bijvoorbeeld geen offerte of correspondentie tussen partijen overgelegd. Dit had wel op zijn weg gelegen, omdat [gedaagde] het bestaan van een overeenkomst heeft betwist. [handelsnaam] heeft dus onvoldoende gesteld om te worden toegelaten tot bewijs van zijn stellingen. De conclusie is dan ook dat niet is komen vast te staan dat er een overeenkomst is gesloten tussen partijen. Omdat de gestelde overeenkomst niet is vast komen te staan is ook niet vast komen te staan dat [gedaagde] de factuur aan [handelsnaam] verschuldigd is.
[handelsnaam] moet de proceskosten betalen
2.4.
[handelsnaam] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
- nakosten
€
€
270,00
41,00
(2,00 punten × € 135,00)
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
311,00
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
wijst de vorderingen van [handelsnaam] af,
3.2.
veroordeelt [handelsnaam] in de proceskosten aan de kant van [gedaagde] begroot op € 311,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [handelsnaam] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [handelsnaam] ook de kosten van betekening betalen.
Dit vonnis is gewezen door mr. O.P. van Tricht en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2024.