Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-07-11
ECLI:NL:RBMNE:2024:4184
Civiel recht
Wraking
3,232 tokens
Dictum
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
WRAKINGSKAMER
Locatie: Utrecht
Zaaknummer: 575760 / HA RK 24-114
Dictum
op het verzoek in de zin van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) van:
[verzoeker]
,
wonend te [woonplaats] ,
(hierna: verzoeker).
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het proces-verbaal (met bijlage) van de zitting van 29 mei 2024, met daarin opgenomen het wrakingsverzoek tegen mr. D.C.P.M. Straver (hierna: de rechter);
de schriftelijke reactie van de rechter van 30 mei 2024 op het wrakingsverzoek;
de schriftelijke reactie van verzoeker van 26 juni 2024 op de reactie van de rechter.
1.2.
Het wrakingsverzoek is op 27 juni 2024 in het openbaar behandeld door de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken (hierna: de wrakingskamer).
De verzoeker en de rechter zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen.
1.3.
De uitspraak is bepaald op vandaag.
2Het wrakingsverzoek
2.1.
Het verzoek tot wraking is gericht tegen de rechter als behandelend rechter in de zaak met het zaaknummer 11067318 UV EXPL 24-101 SGK/44740.
2.2.
Verzoeker heeft het volgende ten grondslag gelegd aan het wrakingsverzoek. Er is sprake van partijdigheid van de rechter. De houding en toon van de rechter was verkeerd en de rechter heeft verzoeker op een bepaalde manier toegesproken.
2.3.
De rechter heeft niet berust in de wraking. In haar schriftelijke reactie stelt zij zich op het standpunt dat uit haar houding niet enige vooringenomenheid kan worden afgeleid. Volgens de rechter werd zij plots gewraakt op het moment dat zij aan verzoeker de basis van het geschil aan het uitleggen was. Verzoeker heeft de regie willen bepalen en wellicht vond hij het lastig dat niet hij maar de rechter de regie heeft tijdens de behandeling van de zaak.
Beoordeling
3.1.
Artikel 36 Rv bepaalt dat de rechter op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
3.2.
De wrakingskamer onderzoekt in een wrakingsprocedure of de onpartijdigheid van de rechter schade lijdt. Een rechter wordt geacht onpartijdig te zijn tot het tegendeel vaststaat. Van dat laatste kan sprake zijn indien uit zijn overtuiging of gedrag persoonlijke vooringenomenheid tegenover een procespartij blijkt. Daarnaast kan een procespartij de indruk krijgen dat de rechter vooringenomen is. Het gezichtspunt van de procespartij is hier van belang, maar speelt geen doorslaggevende rol. Beslissend is of de vrees voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd is. Komt vooringenomenheid of een gerechtvaardigd vermoeden daarvan vast te staan, dan lijdt de rechterlijke onpartijdigheid schade. De wrakingskamer zal het wrakingsverzoek aan de hand van de hiervoor genoemde maatstaven beoordelen.
3.3.
De wrakingskamer stelt voorop dat geen feiten of omstandigheden zijn gebleken op
grond waarvan getwijfeld zou moeten worden aan de juistheid van de inhoud van het
proces-verbaal van de zitting van 29 mei 2024, zodat daarvan wordt uitgegaan. In het proces-verbaal valt niet terug te lezen dat de rechter een verkeerde houding had of een verkeerde toon heeft aangeslagen. Op grond hiervan kan dus niet geconcludeerd worden dat
sprake is van partijdigheid of vooringenomenheid van de rechter of van een objectief
gerechtvaardigde vrees daarvoor.
3.4.
Verzoeker heeft zijn wrakingsverzoek schriftelijk nader toegelicht op 26 juni 2024. De wrakingskamer is van oordeel dat deze reactie van verzoeker, ongeveer een maand na de reactie van de rechter en ongeveer twee maanden na de zitting, dermate laat is ingediend dat zij in strijd komt met het uitgangspunt dat alle feiten en omstandigheden tegelijk moeten worden voorgedragen (zie artikel 37 lid 3 Rv en artikel 1 lid 3 en lid 4 van het wrakingsprotocol van deze rechtbank). Dat geldt te meer, omdat deze toelichting feitelijk niet als nadere toelichting kan worden gezien op de op 29 mei 2024 voorgedragen wrakingsgronden. Alles wat schriftelijk is aangevoerd op 26 juni 2024 – over de reden van de verlate aanvang van de zitting, de spoedeisendheid van de zaak, dat de rechter niet alles zou hebben gelezen en over de kennis van de rechter over paarden – ziet de wrakingskamer als nieuwe wrakingsgronden, aangezien deze gronden niet gaan over de houding of toon van de rechter. Gelet op voornoemd uitgangspunt is het niet mogelijk nieuwe wrakingsgronden aan te voeren en de wrakingskamer zal deze nieuwe wrakingsgronden dan ook buiten beschouwing laten.
3.4.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal de wrakingskamer het verzoek tot wraking ongegrond verklaren.
Dictum
De wrakingskamer:
4.1.
verklaart het verzoek tot wraking ongegrond;
4.2.
draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing te sturen aan verzoeker, de rechter waartegen het wrakingsverzoek is gericht, en aan de betrokken teamvoorzitter van het team waarin de rechter werkzaam is, andere betrokken partijen, en de president van deze rechtbank;
4.3.
bepaalt dat de procedure van verzoeker met zaaknummer 11067318 UV EXPL 24-101 SGK/44740 moet worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.
Deze beslissing is gegeven door mr. R.C. Stijnen, voorzitter, en mr. M.M. Janssen-Witteveen en mr. I.L. Gerrits als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. N.S, Stekkel, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2024.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
Dictum
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
WRAKINGSKAMER
Locatie: Utrecht
Zaaknummer: 575760 / HA RK 24-114
Dictum
op het verzoek in de zin van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) van:
[verzoeker]
,
wonend te [woonplaats] ,
(hierna: verzoeker).
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het proces-verbaal (met bijlage) van de zitting van 29 mei 2024, met daarin opgenomen het wrakingsverzoek tegen mr. D.C.P.M. Straver (hierna: de rechter);
de schriftelijke reactie van de rechter van 30 mei 2024 op het wrakingsverzoek;
de schriftelijke reactie van verzoeker van 26 juni 2024 op de reactie van de rechter.
1.2.
Het wrakingsverzoek is op 27 juni 2024 in het openbaar behandeld door de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken (hierna: de wrakingskamer).
De verzoeker en de rechter zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen.
1.3.
De uitspraak is bepaald op vandaag.
2Het wrakingsverzoek
2.1.
Het verzoek tot wraking is gericht tegen de rechter als behandelend rechter in de zaak met het zaaknummer 11067318 UV EXPL 24-101 SGK/44740.
2.2.
Verzoeker heeft het volgende ten grondslag gelegd aan het wrakingsverzoek. Er is sprake van partijdigheid van de rechter. De houding en toon van de rechter was verkeerd en de rechter heeft verzoeker op een bepaalde manier toegesproken.
2.3.
De rechter heeft niet berust in de wraking. In haar schriftelijke reactie stelt zij zich op het standpunt dat uit haar houding niet enige vooringenomenheid kan worden afgeleid. Volgens de rechter werd zij plots gewraakt op het moment dat zij aan verzoeker de basis van het geschil aan het uitleggen was. Verzoeker heeft de regie willen bepalen en wellicht vond hij het lastig dat niet hij maar de rechter de regie heeft tijdens de behandeling van de zaak.
Beoordeling
3.1.
Artikel 36 Rv bepaalt dat de rechter op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
3.2.
De wrakingskamer onderzoekt in een wrakingsprocedure of de onpartijdigheid van de rechter schade lijdt. Een rechter wordt geacht onpartijdig te zijn tot het tegendeel vaststaat. Van dat laatste kan sprake zijn indien uit zijn overtuiging of gedrag persoonlijke vooringenomenheid tegenover een procespartij blijkt. Daarnaast kan een procespartij de indruk krijgen dat de rechter vooringenomen is. Het gezichtspunt van de procespartij is hier van belang, maar speelt geen doorslaggevende rol. Beslissend is of de vrees voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd is. Komt vooringenomenheid of een gerechtvaardigd vermoeden daarvan vast te staan, dan lijdt de rechterlijke onpartijdigheid schade. De wrakingskamer zal het wrakingsverzoek aan de hand van de hiervoor genoemde maatstaven beoordelen.
3.3.
De wrakingskamer stelt voorop dat geen feiten of omstandigheden zijn gebleken op
grond waarvan getwijfeld zou moeten worden aan de juistheid van de inhoud van het
proces-verbaal van de zitting van 29 mei 2024, zodat daarvan wordt uitgegaan. In het proces-verbaal valt niet terug te lezen dat de rechter een verkeerde houding had of een verkeerde toon heeft aangeslagen. Op grond hiervan kan dus niet geconcludeerd worden dat
sprake is van partijdigheid of vooringenomenheid van de rechter of van een objectief
gerechtvaardigde vrees daarvoor.
3.4.
Verzoeker heeft zijn wrakingsverzoek schriftelijk nader toegelicht op 26 juni 2024. De wrakingskamer is van oordeel dat deze reactie van verzoeker, ongeveer een maand na de reactie van de rechter en ongeveer twee maanden na de zitting, dermate laat is ingediend dat zij in strijd komt met het uitgangspunt dat alle feiten en omstandigheden tegelijk moeten worden voorgedragen (zie artikel 37 lid 3 Rv en artikel 1 lid 3 en lid 4 van het wrakingsprotocol van deze rechtbank). Dat geldt te meer, omdat deze toelichting feitelijk niet als nadere toelichting kan worden gezien op de op 29 mei 2024 voorgedragen wrakingsgronden. Alles wat schriftelijk is aangevoerd op 26 juni 2024 – over de reden van de verlate aanvang van de zitting, de spoedeisendheid van de zaak, dat de rechter niet alles zou hebben gelezen en over de kennis van de rechter over paarden – ziet de wrakingskamer als nieuwe wrakingsgronden, aangezien deze gronden niet gaan over de houding of toon van de rechter. Gelet op voornoemd uitgangspunt is het niet mogelijk nieuwe wrakingsgronden aan te voeren en de wrakingskamer zal deze nieuwe wrakingsgronden dan ook buiten beschouwing laten.
3.4.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal de wrakingskamer het verzoek tot wraking ongegrond verklaren.
Dictum
De wrakingskamer:
4.1.
verklaart het verzoek tot wraking ongegrond;
4.2.
draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing te sturen aan verzoeker, de rechter waartegen het wrakingsverzoek is gericht, en aan de betrokken teamvoorzitter van het team waarin de rechter werkzaam is, andere betrokken partijen, en de president van deze rechtbank;
4.3.
bepaalt dat de procedure van verzoeker met zaaknummer 11067318 UV EXPL 24-101 SGK/44740 moet worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.
Deze beslissing is gegeven door mr. R.C. Stijnen, voorzitter, en mr. M.M. Janssen-Witteveen en mr. I.L. Gerrits als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. N.S, Stekkel, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2024.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.