Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-06-26
ECLI:NL:RBMNE:2024:3921
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,706 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/3623
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juni 2024 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente IJsselstein
(gemachtigde: mr. J.J. Vogel).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de niet-ontvankelijk verklaring van zijn handhavingsverzoek om op te treden tegen onjuist gebruik van parkeerontheffingen.
1.1.
Op 22 april 2023 heeft de rechtbank Midden-Nederland uitspraak gewezen in het beroep van eiser tegen de beslissing op bezwaar om aan hem geen dwangsom toe te kennen wegens het niet tijdig beslissen op zijn handhavingsverzoek over een gesteld verkeerd gebruik van parkeerontheffingen omdat eiser volgens verweerder geen belanghebbende is bij zijn handhavingsverzoek en er dus ook geen sprake is van een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, de Algemene wet Bestuursrecht (Awb).
1.2.
De rechtbank heeft in dat beroep enerzijds geoordeeld dat aan eiser geen dwangsom niet tijdig beslissen toekomt omdat de ingebrekestelling van eiser niet gekoppeld is aan het handhavingsverzoek van eiser. De rechtbank heeft anderzijds geoordeeld dat eiser mogelijk weldegelijk belanghebbende is bij zijn verzoek om handhaving en in zoverre het beroep van eiser gegrond verklaard. Verweerder diende opnieuw te beoordelen of eiser belanghebbende was en zo ja, het handhavingsverzoek inhoudelijk te beoordelen. Daarbij heeft de rechtbank aan verweerder opgedragen om binnen vier weken na de dag van verzending van de uitspraak een nieuw besluit te nemen op eisers handhavingsverzoek.
1.3.
Verweerder heeft vervolgens de nieuwe beslissing op bezwaar op 13 juni 2023 genomen (het bestreden besluit). Daarin heeft verweerder het bezwaar van eiser opnieuw niet-ontvankelijk verklaard omdat hij volgens verweerder geen belanghebbende is bij zijn handhavingsverzoek.
1.4.
Eiser heeft tegen dit bestreden besluit beroep ingesteld.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 26 maart 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
2. De rechtbank ziet zich omdat de verkeersituatie waarmee het handhavingsverzoek verband houdt is gewijzigd, voor de vraag gesteld of eiser nog procesbelang heeft bij een oordeel van de rechtbank over zijn beroep. Hierover overweegt de rechtbank als volgt.
3. Het procesbelang ontbreekt als het resultaat dat de indiener van een beroepschrift nastreeft, niet daadwerkelijk kan worden bereikt of het realiseren van dat resultaat voor hem geen feitelijke, maar slechts theoretische/principiële betekenis heeft.
4. Eiser voert aan dat zijn procesbelang ligt in het feit dat verweerder niet binnen de door de rechtbank in de uitspraak van 22 april 2023 gegeven termijn heeft beslist. Volgens eiser moeten er gevolgen verbonden worden aan het feit dat verweerder te laat heeft beslist op zijn handhavingsverzoek.
5. Verweerder stelt zich vanwege verschillende redenen, waaronder het feit dat eventuele overtredingen reeds zijn beëindigd, op het standpunt dat eiser geen procesbelang meer heeft.
6. De rechtbank is van oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk is. De rechtbank legt dat hierna uit.
7. Eiser heeft verweerder (op drie verschillende data) verzocht om handhavend op te treden tegen het onjuist gebruikmaken van parkeerontheffingen door bewoners. De gestelde overtredingen hielden in dat bewoners met hun ontheffing voor het parkeren in de parkeerschijfzone (blauwe zone) aan de [gebied 1], anderen ten onrechte in de [gebied 2] lieten parkeren. Verweerder heeft dit handhavingsverzoek gezien het gestelde in overweging 5 afgewezen omdat eiser volgens verweerder geen belanghebbende is bij zijn verzoek om handhaving.
8. De rechtbank stelt vast dat de door eiser gestelde overtredingen in verband waarmee hij om handhaving verzoekt dateren van enkele jaren geleden. De rechtbank constateert ook dat de gestelde overtredingen zich inmiddels niet meer kunnen voordoen, omdat de blauwe zone bij het parkeerterrein aan de [gebied 1] is opgeheven en er in dat kader dus geen ontheffingen meer verstrekt worden. Daarbij komt dat er inmiddels ook een algeheel parkeerverbod aan het betreffende deel van de [gebied 2] van toepassing is. Eiser heeft op zitting ook erkend dat zijn verzoek om handhaving door het tijdsverloop achterhaald is. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiser met zijn beroep feitelijk niet meer kan bereiken dat verweerder zijn handhavingsverzoek inhoudelijk in behandeling neemt en handhavend zal gaan optreden. Eiser heeft daarom geen actueel procesbelang meer. Dat verweerder de in de uitspraak gegeven termijn van vier weken heeft overschreden, maakt dat niet anders. Eiser heeft verweerder hiervoor geen ingebrekestelling gestuurd, zodat hij reeds daarom op grond van artikel 4:17 van de Awb geen aanspraak kan maken op een dwangsom. Verder heeft eiser geen ander te respecteren belang gesteld en is de rechtbank daarvan ook niet gebleken.
Conclusie
9. Het beroep is niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank de zaak niet inhoudelijk beoordeelt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Lange, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Ait-Imchi, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2024.
Griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.