Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-06-14
ECLI:NL:RBMNE:2024:3741
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,240 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/2130
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juni 2024 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. T.E. van der Bent),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(gemachtigde: S.N. Westmaas-Kanhai).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van eiseres om vergoeding van haar proceskosten. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak op dit verzoek van eiseres.
1.1.
Eiseres heeft bij de rechtbank beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van 28 februari 2023. In dit besluit heeft het Uwv het bezwaar van (ex-)werkgever tegen het primaire besluit van 22 oktober 2021 gegrond verklaard en medegedeeld dat eiseres’ uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) wordt beëindigd per 29 april 2023. In het primaire besluit van 22 oktober 2021 heeft het Uwv beslist dat eiseres vanaf 11 februari 2022 in aanmerking komt voor een WIA-uitkering.
1.2.
Met het besluit van 12 februari 2024 heeft het Uwv het besluit van 28 februari 2023 gewijzigd en eiseres per 11 februari 2022 in aanmerking gebracht voor een uitkering volgens de Inkomensvoorziening volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA).
1.3.
Eiseres heeft hierna het beroep ingetrokken en de rechtbank verzocht om het Uwv te veroordelen in de proceskosten. Met de brief van 22 februari 2024 heeft het Uwv de rechtbank laten weten dat hij zich kan vinden in vergoeding van de proceskosten conform het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
Overwegingen
2. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Bpb. Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
3. Naar het oordeel van de rechtbank is het Uwv met het besluit van 12 februari 2024 volledig tegemoetgekomen aan het beroep van eiseres. Met dit besluit heeft het Uwv immers alsnog per 11 februari 2022 een IVA-uitkering aan eiseres toegekend. Dit betekent dat het verzoek van eiseres om vergoeding van het Uwv in de proceskosten wordt toegewezen.
4. De rechtbank stelt deze kosten op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 875,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 1).
5. Het Uwv moet ook het door eiseres betaalde griffierecht van € 50,- vergoeden. Dat volgt uit artikel 8:41, zevende lid van de Awb. Eiseres moet zich voor de vergoeding van deze kosten rechtstreeks tot het Uwv wenden.
Dictum
De rechtbank
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 875,-;
- draagt het Uwv op het betaalde griffierecht van € 50,- aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. Spee, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.C.G. van Dijk, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
14 juni 2024.
De rechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/2130
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juni 2024 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. T.E. van der Bent),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(gemachtigde: S.N. Westmaas-Kanhai).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van eiseres om vergoeding van haar proceskosten. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak op dit verzoek van eiseres.
1.1.
Eiseres heeft bij de rechtbank beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van 28 februari 2023. In dit besluit heeft het Uwv het bezwaar van (ex-)werkgever tegen het primaire besluit van 22 oktober 2021 gegrond verklaard en medegedeeld dat eiseres’ uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) wordt beëindigd per 29 april 2023. In het primaire besluit van 22 oktober 2021 heeft het Uwv beslist dat eiseres vanaf 11 februari 2022 in aanmerking komt voor een WIA-uitkering.
1.2.
Met het besluit van 12 februari 2024 heeft het Uwv het besluit van 28 februari 2023 gewijzigd en eiseres per 11 februari 2022 in aanmerking gebracht voor een uitkering volgens de Inkomensvoorziening volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA).
1.3.
Eiseres heeft hierna het beroep ingetrokken en de rechtbank verzocht om het Uwv te veroordelen in de proceskosten. Met de brief van 22 februari 2024 heeft het Uwv de rechtbank laten weten dat hij zich kan vinden in vergoeding van de proceskosten conform het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
Overwegingen
2. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Bpb. Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
3. Naar het oordeel van de rechtbank is het Uwv met het besluit van 12 februari 2024 volledig tegemoetgekomen aan het beroep van eiseres. Met dit besluit heeft het Uwv immers alsnog per 11 februari 2022 een IVA-uitkering aan eiseres toegekend. Dit betekent dat het verzoek van eiseres om vergoeding van het Uwv in de proceskosten wordt toegewezen.
4. De rechtbank stelt deze kosten op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 875,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 1).
5. Het Uwv moet ook het door eiseres betaalde griffierecht van € 50,- vergoeden. Dat volgt uit artikel 8:41, zevende lid van de Awb. Eiseres moet zich voor de vergoeding van deze kosten rechtstreeks tot het Uwv wenden.
Dictum
De rechtbank
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 875,-;
- draagt het Uwv op het betaalde griffierecht van € 50,- aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. Spee, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.C.G. van Dijk, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
14 juni 2024.
De rechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.