Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-06-06
ECLI:NL:RBMNE:2024:3642
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
888 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/5543
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 juni 2024 in de zaak tussen
[verzoekster] te [woonplaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. H. Sala)
en
de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Dienst Uitvoering Onderwijs, verweerder.
Procesverloop
Verzoekster heeft op 14 november 2023 beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op bezwaar tegen het besluit van verweerder inzake een verzoek tot ontheffing van de inburgeringsplicht.
Verweerder heeft alsnog een besluit genomen op het bezwaar.
Verzoekster heeft haar beroep ingetrokken en vraagt nu nog om een veroordeling van verweerder in de proceskosten. De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. Verweerder is akkoord gegaan met het betalen hiervan.
Overwegingen
1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is.
2. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank verweerder bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
3. De rechtbank stelt vast dat verweerder aan verzoekster tegemoet is gekomen door hangende het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit alsnog een besluit op het bezwaar te nemen. De rechtbank veroordeelt verweerder daarom in de door de verzoekster gemaakte proceskosten.
4. De rechtbank stelt de proceskosten van verzoekster die verweerder moet betalen vast op € 218,75 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 0,25). Omdat de zaak in beroep alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden wordt in beroep een wegingsfactor van 0,25 toegepast.
5. Verweerder moet ook het griffierecht aan verzoekster betalen (artikel 8:41, zevende lid, van de Awb).
Dictum
De rechtbank:
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 218,75;
- bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht aan verzoekster moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Henderson rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Valk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 juni 2024.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.
Op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Vergelijk de uitspraak van deze rechtbank van 4 september 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:4482.