Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-06-04
ECLI:NL:RBMNE:2024:3573
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
812 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/2524
uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 juni 2024 in de zaak tussen
[verzoekster], uit [woonplaats], verzoekster
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht
(gemachtigde: mr. R.M. Wiersma).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster. Verzoekster vraagt de voorzieningenrechter om de gemeente Utrecht te verordenen een aantal onrechtmatigheden per direct te stoppen om verdere schade aan haar bedrijf te voorkomen.
2. Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.
Beoordeling
Toetsingskader
3. Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet griffierecht betalen. Dit is geregeld in de artikelen 8:82 en 8:41 van de Algemene wet bestuursrecht. In deze zaak is het griffierecht € 187,-.
4. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Binnen die termijn moet het hele bedrag bijgeschreven zijn op de rekening van de rechtbank of betaald zijn op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald, verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is.
Heeft verzoekster het griffierecht tijdig betaald?
5. De griffier heeft bij aangetekend verzonden brief van 5 april 2024 verzoekster in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen twee weken na dagtekening van die brief. Verzoekster heeft het griffierecht niet (op tijd) betaald.
Is het niet tijdig betalen verontschuldigbaar?
6. Verzoekster heeft geen reden gegeven voor dit verzuim en zij heeft ook niet gereageerd op de brief van de griffier van 2 mei 2024. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken.
Conclusie
7. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. de Meulder, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.H.L. Debets, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
4 juni 2024.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.