Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-06-10
ECLI:NL:RBMNE:2024:3568
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,127 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/5689
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juni 2024 in de zaak tussen
[verzoekster], uit [woonplaats], verzoekster
(gemachtigde: mr. E. Erkamp),
en
het college van gedeputeerde staten van de provincie Utrecht
(gemachtigde: mr. E.M. Reijnders).
Procesverloop
1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoekster om een veroordeling van gedeputeerde staten in de proceskosten. Verzoekster heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van haar beroep tegen het besluit van gedeputeerde staten van 3 oktober 2023.
1.2.
Op 6 mei 2024 hebben gedeputeerde staten een nieuw besluit op het bezwaar van verzoekster genomen. Verzoekster heeft daarna haar beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor haar proceskosten.
1.3.
De rechtbank heeft gedeputeerde staten in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. Gedeputeerde staten hebben de rechtbank meegedeeld dat dat zij zich kunnen vinden in het vergoeden van de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
1.4.
De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
Beoordeling
2. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
3. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
Is gedeputeerde staten aan verzoekster tegemoetgekomen?
4. Met het nieuwe besluit op bezwaar hebben gedeputeerde staten het bezwaar van verzoekster gegrond verklaard en aan haar voor het oogstjaar 2021 alsnog een tegemoetkoming in faunaschade toegekend van € 39.055,-. Gedeputeerde staten hebben dus gedaan wat verzoekster wilde.
5. De rechtbank wijst het verzoek om een proceskostenvergoeding daarom als kennelijk gegrond toe. Verzoekster krijgt een vergoeding van haar proceskosten. Gedeputeerde staten moeten deze vergoeding betalen.
Welk bedrag aan proceskosten moet gedeputeerde staten aan verzoekster vergoeden?
6. Deze vergoeding bedraagt € 875,- omdat de gemachtigde van verzoekster een beroepschrift heeft ingediend. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Krijgt verzoekster een vergoeding van het griffierecht?
7. De rechtbank wijst erop dat gedeputeerde staten verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 365,- te vergoeden.Verzoekster moet zich hiervoor dan ook tot gedeputeerde staten wenden.
Dictum
De rechtbank veroordeelt gedeputeerde staten tot betaling van € 875,- aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. de Meulder, rechter, in aanwezigheid van mr.I.C. de Zeeuw-'t Lam, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
Als bedoeld in artikel 6.1 van de Wet natuurbescherming.
Dit volgt uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.