Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-06-05
ECLI:NL:RBMNE:2024:3553
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,368 tokens
Inleiding
RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 10773711 \ UC EXPL 23-7413 JB/61315
Vonnis van 5 juni 2024
in de zaak van
1 [eiser sub 1] , 2. [eiseres sub 2] ,
beiden wonend in [woonplaats] ,
eisende partijen,
hierna zowel afzonderlijk als samen te noemen: [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] ,
gemachtigde: mr. M. de Klein,
tegen
[gedaagde] , h.o.d.n. [handelsnaam],
wonend in [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
Procesverloop
1.1.
In het dossier zitten de volgende stukken:
- de dagvaarding van 26 oktober 2023; - de conclusie van antwoord van 20 december 2023; - de brief waarin een mondelinge behandeling is bepaald.
1.2.
De zaak is op 3 mei 2024 tijdens de mondelinge behandeling besproken. Daarvan heeft de griffier aantekeningen gemaakt. Aan de kant van de eisende partij waren [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] met hun gemachtigde mr. M. de Klein aanwezig. Aan de kant van de gedaagde partij was [gedaagde] aanwezig.
1.3.
Ten slotte is bepaald dat een vonnis zal worden uitgesproken.
Beoordeling
De kern van de zaak
2.1.
[eiser sub 1] en [eiseres sub 2] hebben aan [gedaagde] de opdracht gegeven om werkzaamheden in hun huis te verrichten. [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] stellen dat [gedaagde] , nadat hij was begonnen met het werk, de overeenkomst eenzijdig wilde aanpassen en dat hij de geplande werkzaamheden niet wilde voortzetten. Daarom vorderen zij nu ontbinding van de overeenkomst, terugbetaling van de aanbetaling en een schadevergoeding, met rente en kosten. De kantonrechter zal hierna tot het oordeel komen dat de overeenkomst wordt ontbonden en dat [gedaagde] de aanbetaling moet terugbetalen en een deel van de schade moet vergoeden. Hierna wordt uitgelegd waarom.
Wat er is gebeurd
2.2.
[gedaagde] heeft van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] de opdracht gekregen om voor een bedrag van € 9.450,00 onder andere vloertegels te verwijderen en af te voeren en om vloerverwarming aan te leggen. Partijen zijn overeengekomen dat 60% van de aanneemsom voor de begindatum moest worden aanbetaald en de rest bij de eindafrekening. Op 29 maart 2023 is de aanbetaling gedaan. [gedaagde] zou de werkzaamheden op 21, 22 en 24 april 2023 uitvoeren. Hij is op 21 april 2023 begonnen met het werk. [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] hebben verklaard dat zij aan het einde van de eerste werkdag van [gedaagde] hadden begrepen dat hij, als hij op 22 april 2023 zou komen, om 9:00 uur aanwezig zou zijn.
2.3.
Op de ochtend van 22 april 2023 was [eiser sub 1] tijdig aanwezig in de woning, zodat hij [gedaagde] kon binnenlaten. Toen [gedaagde] om 10:40 uur nog niet aanwezig was, is [eiser sub 1] weer weggegaan. [gedaagde] heeft verklaard dat hij op 22 april 2023 wel naar het huis van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] is gegaan, maar dat hij om 11:42 uur voor een dichte deur stond. Op zitting heeft [gedaagde] toegelicht dat hij zeker weet dat hij op 21 april 2023 heeft gezegd dat hij zou bellen als hij onderweg was, en dat hij dat ook heeft gedaan. Toen [eiseres sub 2] niet opnam toen hij belde en ook niet reageerde op zijn berichten, is hij weer naar huis gegaan.
2.4.
Om 13:13 uur belde [eiser sub 1] terug naar [gedaagde] om te laten weten dat hij alsnog naar binnen kon komen. [gedaagde] heeft er toen zelf voor gekozen om die dag niet meer terug te komen om verder te gaan met de werkzaamheden. Later op de dag heeft [gedaagde] een e-mail aan [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] gestuurd waarin hij aangaf dat hij zou stoppen met de werkzaamheden als [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] niet voor 24 april 2023 om 8:30 uur 50% van het restant van de aanneemsom zouden betalen. Op zitting heeft [gedaagde] verklaard dat het niet klopt dat hij om een extra tussentijdse betaling of aanbetaling heeft gevraagd. Gelet op de hiervoor genoemde e-mail gaat de kantonrechter hier niet in mee.
2.5.
[eiser sub 1] en [eiseres sub 2] zijn niet akkoord gegaan met de betaling van het extra bedrag. Daarna heeft [gedaagde] het werk niet meer afgemaakt. Volgens [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] is [gedaagde] hiermee tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst. Daarom willen zij dat de overeenkomst wordt ontbonden.
De overeenkomst wordt ontbonden
2.6.
Bij de beoordeling van de vraag of [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming en of de overeenkomst daarom kan worden ontbonden, is van belang of [gedaagde] van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] kon verlangen om voor 24 april 2023 om 8:30 uur 50% van het restant van de aanneemsom aan hem te betalen voordat hij verder ging met de werkzaamheden. Daarvoor moet worden gekeken naar wat partijen hierover hebben afgesproken.
2.7.
Op zitting is gebleken dat [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] na de e-mail van [gedaagde] bereid waren in overleg te treden. Zij hebben geprobeerd een nadere overeenkomst te sluiten, maar [gedaagde] is niet akkoord gegaan met de voorwaarden en bleef eisen dat [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] een extra betaling zouden doen. Omdat er geen nadere overeenkomst tot stand is gekomen, moest de oude overeenkomst worden uitgevoerd. Deze overeenkomst hield in dat [gedaagde] de werkzaamheden moest uitvoeren en dat [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] voorafgaand hiervan een aanbetaling moesten doen van € 5.670,00. Het doen van een extra tussentijdse betaling is niet overeengekomen. [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] hoefden daarom niet in te stemmen met de eis van [gedaagde] om tussentijds 50% van de restant aanneemsom te betalen.
2.8.
Dat betekent dat het onterecht is dat [gedaagde] is gestopt met het uitvoeren van de werkzaamheden. Daarom is hij tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst. Gelet daarop zal de kantonrechter de overeenkomst ontbinden.
[gedaagde] moet de aanbetaling terugbetalen, vermeerderd met de rente
2.9.
In artikel 6:271 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat partijen na een ontbinding de prestaties die zij hebben ontvangen ongedaan moeten maken. Dat betekent dat [gedaagde] de aanbetaling van € 5.670,00 aan [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] moet terugbetalen. [gedaagde] moet over dit bedrag ook de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding betalen.
2.10.
[eiser sub 1] en [eiseres sub 2] hebben gesteld dat de werkzaamheden die [gedaagde] heeft verricht geen waarde hebben gehad, omdat hij alleen sloopwerkzaamheden heeft verricht en de materialen die hij heeft geleverd voor hen niet bruikbaar zijn. [gedaagde] heeft dit niet gemotiveerd betwist. Daarom begroot de kantonrechter de waarde van de werkzaamheden van [gedaagde] op nihil. Dat betekent dat [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] geen vergoeding voor het uitgevoerde werk aan [gedaagde] hoeven te betalen. Wel moeten zij de materialen die [gedaagde] heeft geleverd aan [gedaagde] teruggeven. De kantonrechter bepaalt daarbij dat [gedaagde] de materialen zelf moet ophalen bij de woning van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] , dat hij daarvoor een afspraak moet maken en dat [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] de materialen niet langer dan een maand na datum van het vonnis voor hem hoeven te bewaren.
[gedaagde] moet aanvullende schade vergoeden
2.11.
Omdat [gedaagde] het werk niet heeft afgemaakt, hebben [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] een andere aannemer moeten inschakelen. Zij hebben naar voren gebracht dat zij hierdoor later dan gepland konden verhuizen naar hun nieuwe woning en dat zij daardoor twee maanden langer een opslagunit voor een deel van de inboedel hebben moeten huren. Dit heeft € 313,67 gekost. Zij hebben het aanleggen van de vloerverwarming moeten uitbesteden aan deze andere aannemer. De overige werkzaamheden die aan [gedaagde] waren opgedragen, hebben zij alsnog zelf uitgevoerd. Voor het aanleggen van de vloerverwarming hebben zij € 5.634,99 betaald. Dit is € 2.957,26 meer dan de aanneemsom die met [gedaagde] was afgesproken voor het aanleggen van de vloerverwarming. [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] vorderen daarom een bedrag van € 3.270,93 (€ 313,67 + € 2.957,26) aan aanvullende schade van [gedaagde] .
2.12.
De kantonrechter is van oordeel dat alleen de opslagkosten het gevolg zijn van de tekortkoming van [gedaagde] . Als [gedaagde] het werk namelijk volgens de overeenkomst zou hebben uitgevoerd, hadden [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] geen extra kosten voor opslag hoeven te maken. De kantonrechter merkt nog op dat misverstanden kunnen ontstaan als afspraken mondeling worden gemaakt en niet op papier worden gezet. Van een professionele aannemer als [gedaagde] mag worden verwacht dat hij die misverstanden op een soepele manier voorkomt of oplost.
Conclusie
2.15.
Het voorgaande betekent dat [gedaagde] in totaal het volgende bedrag aan [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] moet betalen:
- terugbetalen aanbetaling € 5.670,00
- schadevergoeding € 313,67
- buitengerechtelijke incassokosten € 674,18 +
Totaal € 6.657,85
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
2.16.
[gedaagde] is de partij die grotendeels ongelijk krijgt en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
129,86
- griffierecht
€
244,00
- salaris gemachtigde
€
678,00
(2 punten × € 339,00)
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.186,86
2.17.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard
2.18.
De kantonrechter zal het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als een van de partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing geldt in dat geval tot het gerechtshof een andere beslissing neemt.
Dictum
De kantonrechter
3.1.
ontbindt de overeenkomst tussen partijen van 27 maart 2023;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] te betalen een bedrag van € 6.657,85, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 26 oktober 2023, tot de dag van volledige betaling;
3.3.
bepaalt dat [gedaagde] binnen één maand na de datum van dit vonnis de door hem aan [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] geleverde materialen bij hen moet ophalen;
3.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.186,86, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
3.5.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
3.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.A.M. Pinckaers en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2024.