Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-06-05
ECLI:NL:RBMNE:2024:3471
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
4,850 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Lelystad
Parketnummer: 16.148446.21 (ontneming)
Vonnis van de meervoudige kamer op de vordering van de officier van justitie tot ontneming van 5 juni 2024
in de zaak tegen
[veroordeelde]
geboren op [1982] te [geboorteplaats] ,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna te noemen: veroordeelde.
1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
De vordering is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 15 mei 2024.
Veroordeelde is, ondanks een behoorlijke oproeping daartoe, niet ter terechtzitting verschenen. Dit vonnis is dan ook bij verstek gewezen.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en de standpunten van de officier van justitie, mr A.A. de Groot.
2VORDERING
2.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft (in afwijking van het ontnemingsrapport) gevorderd het wederrechtelijk verkregen voordeel te bepalen op € 171.883,- en de betalingsverplichting te bepalen op € 165.000,-.
Beoordeling
3.1
De grondslag van de vordering
De veroordeelde is bij vonnis van deze rechtbank van 5 juni 2024, voor zover van belang, veroordeeld voor het volgende, verkort weergegeven, strafbare feit:
feit 1:
in de periode van 1 juni 2017 tot en met 23 november 2021 te Lelystad en Almere en Uddel en Amsterdam meermalen telkens met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde 1] en [benadeelde 2] en [benadeelde 3] en [benadeelde 4] en [benadeelde 5] en [benadeelde 6] heeft bewogen tot afgifte ven enig goed, te weten een of meer geldbedrag(en) van (ongeveer) 85.000 euro (afkomstig van [benadeelde 1] ) en 40.000 euro (afkomstig van [benadeelde 2] ) en 62.000 euro (afkomstig van [benadeelde 3] ) en 75.000 euro (afkomstig van [benadeelde 4] en [benadeelde 5] ) en 4.000 euro (afkomstig van [benadeelde 6] ).
De grondslag voor de ontnemingsvordering is een veroordeling voor een strafbaar feit. Voor de ontnemingsvordering houdt dit in dat bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel op grond van artikel 36e tweede lid Wetboek van Strafrecht (Sr) kan worden gelet op voordeel afkomstig uit het strafbare feit dat veroordeelde heeft begaan of andere strafbare feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan.
3.2
Beoordeling
Voor de berekening van de opbrengsten en kosten neemt de rechtbank – voor zover niet anders wordt vermeld – tot uitgangspunt wat is opgenomen in het ontnemingsrapport.
3.2.1.
Periode
In het ontnemingsrapport gaat de politie uit van een onderzoeksperiode van 12 juli 2016 tot en met 28 januari 2022. Deze ontnemingsperiode is ruimer dan de bewezen verklaarde periode in het onderliggende strafvonnis.
3.2.2.
Bruto opbrengst
T.a.v. benadeelde [benadeelde 1]
De rechtbank is van oordeel dat het aannemelijk is dat veroordeelde reeds in 2016, buiten de bewezen verklaarde periode, wederrechtelijk voordeel heeft genoten. Zo zijn er voldoende aanwijzingen dat veroordeelde in de zomer van 2016 haar tante, [benadeelde 1] , voor een bedrag van € 30.000,- heeft opgelicht. Dit volgt uit de aangifte van [benadeelde 1] en de bankmutaties.
Verder volgt uit de aangifte en de bankmutaties dat veroordeelde [benadeelde 1] in de periode van 2017 tot en met 2018 heeft opgelicht voor een totaal bedrag van € 85.000,-.
T.a.v. benadeelde [benadeelde 3]
Veroordeelde heeft in de periode van 2018 en 2019 [benadeelde 3] voor een totaal bedrag van € 62.000,- opgelicht. Dit volgt uit de aangifte van [benadeelde 3], de overeenkomst tussen veroordeelde en [benadeelde 3] en de bankafschriften.
T.a.v. benadeelden [benadeelde 4] en [benadeelde 5]
Veroordeelde heeft in 2018 [benadeelde 4] en [benadeelde 5] voor een totaal bedrag van € 75.000,- opgelicht. Dit volgt onder meer uit de aangiftes en een bankafschrift.
T.a.v. benadeelde [benadeelde 6]
In 2018 heeft veroordeelde [benadeelde 6] voor een bedrag van € 4.000,- opgelicht. Dit blijkt uit de aangifte van [benadeelde 6] en een bankafschrift.
T.a.v. benadeelde [benadeelde 2]
Veroordeelde heeft in 2019 [benadeelde 2] voor een totaal bedrag van € 40.000,- opgelicht. Dit volgt uit de aangifte van [benadeelde 2] en de overeenkomsten tussen veroordeelde en [benadeelde 2].
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank uit op een bruto opbrengst van € 296.000,-.
3.2.3.
Kosten
Ten aanzien van de gemaakte kosten overweegt de rechtbank dat enkel de benadeelden [benadeelde 1] en [benadeelde 3] geld van veroordeelde, in de vorm van aflossing en/of rente, hebben ontvangen. Het bedrag dat [benadeelde 1] van veroordeelde heeft ontvangen bedraagt in totaal € 33.973,-. [benadeelde 3] heeft € 1.000,- van veroordeelde ontvangen. Deze geldbedragen volgen uit de bankafschriften.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank uit op een totaal bedrag aan kosten van € 34.973,-.
3.2.4.
Het wederrechtelijk verkregen voordeel
Verder overweegt de rechtbank dat op grond van artikel 36e lid 9 Sr in rechte toegekende vorderingen en schadevergoedingsmaatregelen voor zover die zijn voldaan in mindering dienen te worden gebracht. Dit betekent dat de € 60.000,-, die [benadeelde 1] civielrechtelijk heeft kunnen verhalen op veroordeelde, van de netto opbrengst moet worden afgetrokken.
Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 201.027,- (€ 296.000,- - € 34.973,- - € 60.000,-).
3.3
Betalingsverplichting
3.3.1.
Redelijke termijn
Nu er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de betalingsverplichting dient te worden gematigd.
De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 eerste lid EVRM. Deze overschrijding is echter al voldoende gecompenseerd door matiging van de in de strafzaak aan de veroordeelde opgelegde straf wegens schending van de redelijke termijn. De rechtbank vindt daarin aanleiding in onderhavige ontnemingszaak te volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 6 eerste lid EVRM.
De rechtbank stelt het bedrag dat door veroordeelde dient te worden betaald aan de staat vast op € 201.027,-.
4TOEGEPAST WETSARTIKEL
De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Dictum
De rechtbank:
- stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 201.027,- (zegge: tweehonderdeenduizend zevenentwintig euro);
- legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 201.027,- (zegge: tweehonderdeenduizend zevenentwintig euro) aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
- bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.F. Hammerle, voorzitter, en mrs. H. den Haan en J.A. Koorevaar, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.N. Aalders, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 5 juni 2024.
Mrs. Den Haan en Koorevaar zijn buiten staat het vonnis mede te ondertekenen.
Het “Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel” van 31 januari 2022, opgenomen in het aan de strafzaak ten grondslag liggende proces-verbaal, onderzoek Contrabas / MD2R021051 (pagina’s 679 tot en met 686).
Pagina’s 128 t/m 133.
Pagina 51.
Pagina’s 51 t/m 54.
Pagina’s 157 t/m 160.
Pagina 321.
Een (separaat in het dossier opgenomen) voegingsformulier van de benadeelde partij [benadeelde 3] , pagina’s 17 t/m 20.
Pagina’s 329 t/m 332 en 438 en 439.
Pagina 345.
Pagina’s 435 t/m 437.
Een (separaat in het dossier opgenomen) voegingsformulier van de benadeelde partij [benadeelde 6] , pagina 16.
Pagina’s 134 t/m 137.
Pagina’s 142 t/m 148.
Pagina’s 579 t/m 581.
Een (separaat in het dossier opgenomen) voegingsformulier van de benadeelde partij [benadeelde 1] , pagina 7.
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Lelystad
Parketnummer: 16.148446.21 (ontneming)
Vonnis van de meervoudige kamer op de vordering van de officier van justitie tot ontneming van 5 juni 2024
in de zaak tegen
[veroordeelde]
geboren op [1982] te [geboorteplaats] ,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna te noemen: veroordeelde.
1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
De vordering is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 15 mei 2024.
Veroordeelde is, ondanks een behoorlijke oproeping daartoe, niet ter terechtzitting verschenen. Dit vonnis is dan ook bij verstek gewezen.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en de standpunten van de officier van justitie, mr A.A. de Groot.
2VORDERING
2.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft (in afwijking van het ontnemingsrapport) gevorderd het wederrechtelijk verkregen voordeel te bepalen op € 171.883,- en de betalingsverplichting te bepalen op € 165.000,-.
Beoordeling
3.1
De grondslag van de vordering
De veroordeelde is bij vonnis van deze rechtbank van 5 juni 2024, voor zover van belang, veroordeeld voor het volgende, verkort weergegeven, strafbare feit:
feit 1:
in de periode van 1 juni 2017 tot en met 23 november 2021 te Lelystad en Almere en Uddel en Amsterdam meermalen telkens met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde 1] en [benadeelde 2] en [benadeelde 3] en [benadeelde 4] en [benadeelde 5] en [benadeelde 6] heeft bewogen tot afgifte ven enig goed, te weten een of meer geldbedrag(en) van (ongeveer) 85.000 euro (afkomstig van [benadeelde 1] ) en 40.000 euro (afkomstig van [benadeelde 2] ) en 62.000 euro (afkomstig van [benadeelde 3] ) en 75.000 euro (afkomstig van [benadeelde 4] en [benadeelde 5] ) en 4.000 euro (afkomstig van [benadeelde 6] ).
De grondslag voor de ontnemingsvordering is een veroordeling voor een strafbaar feit. Voor de ontnemingsvordering houdt dit in dat bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel op grond van artikel 36e tweede lid Wetboek van Strafrecht (Sr) kan worden gelet op voordeel afkomstig uit het strafbare feit dat veroordeelde heeft begaan of andere strafbare feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan.
3.2
Beoordeling
Voor de berekening van de opbrengsten en kosten neemt de rechtbank – voor zover niet anders wordt vermeld – tot uitgangspunt wat is opgenomen in het ontnemingsrapport.
3.2.1.
Periode
In het ontnemingsrapport gaat de politie uit van een onderzoeksperiode van 12 juli 2016 tot en met 28 januari 2022. Deze ontnemingsperiode is ruimer dan de bewezen verklaarde periode in het onderliggende strafvonnis.
3.2.2.
Bruto opbrengst
T.a.v. benadeelde [benadeelde 1]
De rechtbank is van oordeel dat het aannemelijk is dat veroordeelde reeds in 2016, buiten de bewezen verklaarde periode, wederrechtelijk voordeel heeft genoten. Zo zijn er voldoende aanwijzingen dat veroordeelde in de zomer van 2016 haar tante, [benadeelde 1] , voor een bedrag van € 30.000,- heeft opgelicht. Dit volgt uit de aangifte van [benadeelde 1] en de bankmutaties.
Verder volgt uit de aangifte en de bankmutaties dat veroordeelde [benadeelde 1] in de periode van 2017 tot en met 2018 heeft opgelicht voor een totaal bedrag van € 85.000,-.
T.a.v. benadeelde [benadeelde 3]
Veroordeelde heeft in de periode van 2018 en 2019 [benadeelde 3] voor een totaal bedrag van € 62.000,- opgelicht. Dit volgt uit de aangifte van [benadeelde 3], de overeenkomst tussen veroordeelde en [benadeelde 3] en de bankafschriften.
T.a.v. benadeelden [benadeelde 4] en [benadeelde 5]
Veroordeelde heeft in 2018 [benadeelde 4] en [benadeelde 5] voor een totaal bedrag van € 75.000,- opgelicht. Dit volgt onder meer uit de aangiftes en een bankafschrift.
T.a.v. benadeelde [benadeelde 6]
In 2018 heeft veroordeelde [benadeelde 6] voor een bedrag van € 4.000,- opgelicht. Dit blijkt uit de aangifte van [benadeelde 6] en een bankafschrift.
T.a.v. benadeelde [benadeelde 2]
Veroordeelde heeft in 2019 [benadeelde 2] voor een totaal bedrag van € 40.000,- opgelicht. Dit volgt uit de aangifte van [benadeelde 2] en de overeenkomsten tussen veroordeelde en [benadeelde 2].
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank uit op een bruto opbrengst van € 296.000,-.
3.2.3.
Kosten
Ten aanzien van de gemaakte kosten overweegt de rechtbank dat enkel de benadeelden [benadeelde 1] en [benadeelde 3] geld van veroordeelde, in de vorm van aflossing en/of rente, hebben ontvangen. Het bedrag dat [benadeelde 1] van veroordeelde heeft ontvangen bedraagt in totaal € 33.973,-. [benadeelde 3] heeft € 1.000,- van veroordeelde ontvangen. Deze geldbedragen volgen uit de bankafschriften.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank uit op een totaal bedrag aan kosten van € 34.973,-.
3.2.4.
Het wederrechtelijk verkregen voordeel
Verder overweegt de rechtbank dat op grond van artikel 36e lid 9 Sr in rechte toegekende vorderingen en schadevergoedingsmaatregelen voor zover die zijn voldaan in mindering dienen te worden gebracht. Dit betekent dat de € 60.000,-, die [benadeelde 1] civielrechtelijk heeft kunnen verhalen op veroordeelde, van de netto opbrengst moet worden afgetrokken.
Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 201.027,- (€ 296.000,- - € 34.973,- - € 60.000,-).
3.3
Betalingsverplichting
3.3.1.
Redelijke termijn
Nu er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de betalingsverplichting dient te worden gematigd.
De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 eerste lid EVRM. Deze overschrijding is echter al voldoende gecompenseerd door matiging van de in de strafzaak aan de veroordeelde opgelegde straf wegens schending van de redelijke termijn. De rechtbank vindt daarin aanleiding in onderhavige ontnemingszaak te volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 6 eerste lid EVRM.
De rechtbank stelt het bedrag dat door veroordeelde dient te worden betaald aan de staat vast op € 201.027,-.
4TOEGEPAST WETSARTIKEL
De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Dictum
De rechtbank:
- stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 201.027,- (zegge: tweehonderdeenduizend zevenentwintig euro);
- legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 201.027,- (zegge: tweehonderdeenduizend zevenentwintig euro) aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
- bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.F. Hammerle, voorzitter, en mrs. H. den Haan en J.A. Koorevaar, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.N. Aalders, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 5 juni 2024.
Mrs. Den Haan en Koorevaar zijn buiten staat het vonnis mede te ondertekenen.
Het “Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel” van 31 januari 2022, opgenomen in het aan de strafzaak ten grondslag liggende proces-verbaal, onderzoek Contrabas / MD2R021051 (pagina’s 679 tot en met 686).
Pagina’s 128 t/m 133.
Pagina 51.
Pagina’s 51 t/m 54.
Pagina’s 157 t/m 160.
Pagina 321.
Een (separaat in het dossier opgenomen) voegingsformulier van de benadeelde partij [benadeelde 3] , pagina’s 17 t/m 20.
Pagina’s 329 t/m 332 en 438 en 439.
Pagina 345.
Pagina’s 435 t/m 437.
Een (separaat in het dossier opgenomen) voegingsformulier van de benadeelde partij [benadeelde 6] , pagina 16.
Pagina’s 134 t/m 137.
Pagina’s 142 t/m 148.
Pagina’s 579 t/m 581.
Een (separaat in het dossier opgenomen) voegingsformulier van de benadeelde partij [benadeelde 1] , pagina 7.