Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-04-30
ECLI:NL:RBMNE:2024:3386
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
852 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/3383
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 april 2024 in de zaak tussen
[eiser] , eiser
en
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, verweerder.
Procesverloop
Met het besluit van 9 mei 2023 heeft verweerder besloten maandelijks 47,50 in te houden op het AOW-pensioen van eiser. Hiertegen heeft eiser op 12 mei 2023 bezwaar gemaakt.
Met het besluit van 24 mei 2023 heeft verweerder dit bezwaar ongegrond verklaard.
Eiser is hiertegen in beroep gegaan.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Overwegingen
1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is.
2. Iemand die in beroep gaat moet griffierecht betalen. Dit staat in artikel 8:41, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In dit geval is het griffierecht € 50,-. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Dat betekent in dit verband dat het hele bedrag binnen die termijn is bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dat het binnen die termijn is betaald op de griffie van de rechtbank.
3. Als het griffierecht niet (op tijd) wordt betaald is de hoofdregel dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk mag behandelen. Soms is dat anders. Dan is er een geldige reden waarom het griffierecht niet door de rechtbank is ontvangen. Het gaat dan om omstandigheden waar eiser niets aan kan doen.
4. De rechtbank heeft eiser op 8 september 2023 een aangetekende brief gestuurd, waarin staat dat eiser het griffierecht binnen vier weken moet betalen aan de rechtbank. Nader door de rechtbank ingesteld onderzoek bij PostNL heeft uitgewezen dat deze aangetekende brief niet is afgehaald en daarom op 28 september 2023 retour is gezonden. De rechtbank heeft het bedrag niet ontvangen. Eiser heeft daar geen geldige reden voor gegeven.
5. Het beroep zal niet inhoudelijk worden behandeld en de rechtbank zal geen uitspraak over het beroep doen. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk.Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van
mr. N. Khalloufi, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 april 2024.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.
Op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
artikel 8:41, zesde lid, van de Awb.
artikel 8:54, van de Awb.