Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-03-19
ECLI:NL:RBMNE:2024:3368
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,011 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/506
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 maart 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
de Minister voor Rechtsbescherming
Inleiding
Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat verweerder volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag van 3 oktober 2022 om inzage in zijn persoonsgegevens bij het NIFP.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is omdat het griffierecht niet is betaald en het niet betalen niet verontschuldigbaar is. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
4. Iemand die beroep instelt, moet griffierecht betalen. Dit staat in artikel 8:41 van de Awb. In een zaak als deze is het griffierecht € 184,-. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Het hele bedrag moet binnen die termijn zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dan zijn betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig is betaald, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is. Dat betekent dat er een goede reden moet zijn waarom het griffierecht niet (tijdig) is betaald.
5. De griffier heeft eiser bij aangetekende brief van 8 februari 2023 gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en meegedeeld dat dit binnen twee weken moet zijn voldaan. Deze brief is retour ontvangen en vervolgens op 1 maart 2023 per gewone post door de griffier opnieuw aan eiser verstuurd.
6. Eiser heeft op 6 maart 2023 verzocht om vrijstelling van het griffierecht, omdat hij onder bewind staat. Hij heeft verder gezegd dat hij bijzondere bijstand heeft aangevraagd.
7. De rechtbank heeft eiser op 21 maart 2023 verzocht om het beroep op vrijstelling van de betaling van griffierecht te onderbouwen met concrete gegevens over zijn inkomen. Bij de brief zit een in te vullen formulier. Eiser heeft hierop niet gereageerd, zodat het verzoek om vrijstelling niet te controleren valt.
8. Eiser heeft het griffierecht niet op tijd betaald en heeft niet voldoende onderbouwd dat hij vrijgesteld moet worden van het betalen van griffierecht.
9. Eiser heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken.
Conclusie
10. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E.C. Bakker, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2024.
(De griffier is verhinderd de uitspraak
mede te ondertekenen).
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.