Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-04-30
ECLI:NL:RBMNE:2024:3156
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
1,629 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Almere
Zaaknummer: C/16/571893 / JL RK 24-197
Datum uitspraak: 30 april 2024
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
LEGER DES HEILS JEUGDBESCERHMING EN JEUGDRECLASSERING,
gevestigd te Lelystad, hierna te noemen: de gecertifieerde instelling (de GI),
over
[minderjarige 1]
,
geboren op [geboortedatum 1] 2011 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2]
,
geboren op [geboortedatum 2] 2016 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats]
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] .
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in haar beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 1 maart 2024.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 30 april 2024. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder;
- mevrouw [A] en mevrouw [B] , namens de GI.
Feiten
2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun moeder.
2.3.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 18 april 2024 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd tot 3 mei 2024.
3Het verzoek
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
Beoordeling
4.1.
Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De kinderrechter zal daarom de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengen voor de duur van een jaar (artikel 1:260, eerste lid, BW). Hieronder zal worden toegelicht hoe de kinderrechter tot haar oordeel is gekomen.
4.2.
De zorgen om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn nog steeds aanwezig. Het lukt ouders niet om op een constructieve wijze met of over de kinderen te communiceren. Elke beslissing, waaronder de schoolkeuze voor [minderjarige 1] , de judo wedstrijden van [minderjarige 2] of een zorgpas, zorgt voor een strijd en daarbij voor stress bij de kinderen. Vader vindt dat hij door moeder niet voldoende op de hoogte wordt gehouden over hoe het met de kinderen gaat. Dit frustreert hem. Er zou een gezinsonderzoek bij Triade Vitree plaatsvinden, maar dit gaat niet door omdat partijen vastliepen bij het begin van het traject. De kinderen ontvangen hulpverlening bij [hulpverlener] , bij wie zij op hun plek zijn en in wie beide ouders veel vertrouwen hebben. [hulpverlener] werkte voor de organisatie [organisatie] maar is recentelijk voor zichzelf begonnen. Ouders (en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ) willen graag dat de kinderen de hulpverlening van [hulpverlener] blijven ontvangen. De GI ondersteunt dat en is nu aan het onderzoeken of [hulpverlener] een contract met de gemeente [gemeente] kan krijgen. De kinderrechter wil benadrukken dat het belangrijk is dat de kinderen de hulpverlening bij [hulpverlener] kunnen blijven voortzetten. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben een vertrouwensband opgebouwd die zeer waardevol is voor hen vanwege de loyaliteitsconflicten die rond hen spelen. Het komende jaar zal de hulpverlening voor de kinderen worden voortgezet en moeten de ouders werken aan de manier van informatiewisseling over de kinderen. Het ouderschapsplan zal daarbij een leidraad zijn. Indien dit allemaal goed verloopt ziet de kinderrechter de mogelijkheid dat de hulpverlening vanaf volgend jaar in het vrijwillig kader kan worden voortgezet. Ouders staan achter de verlenging van de ondertoezichtstelling.
Dictum
De kinderrechter:
5.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot 3 mei 2025;
5.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 30 april 2024 door mr. M.M. Janssen - Witteveen, kinderrechter, in aanwezigheid van W.P.J. Rubingh als griffier, en op schrift gesteld op
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden.