Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-05-15
ECLI:NL:RBMNE:2024:3104
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Voorlopige voorziening
963 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/3327
uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 mei 2024 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. B.J.M. de Leest),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Houten.
(het college)
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster. Het verzoek is gedaan in het kader van een bezwaar van verzoekster tegen het besluit van het college van 18 maart 2024 om aan verzoekster een maatwerkvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning toe te kennen. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
2. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
Beoordeling
3. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
4. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de voorlopige voorzieningenprocedure is bedoeld om in afwachting van de uitkomst van een bezwaar- of beroepsprocedure een voorlopige maatregel te treffen. Daarom speelt bij de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening de spoedeisendheid een belangrijke rol.
5. Verzoekster heeft in haar verzoek vermeld dat zij afhankelijk is van zorg, dat deze door het bestreden besluit grotendeels komt te vervallen en dat zij niet in staat is om deze zorg zelf te betalen.
6. Bij brief van 1 mei 2024 heeft de griffier aan verzoekster gevraagd om binnen één week een nadere toelichting op het spoedeisend belang. Verzoekster heeft hierop niet gereageerd.
7. Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat verzoekster een spoedeisend belang hebben bij een oordeel over het bestreden besluit.
8. Omdat de voorzieningenrechter van oordeel is dat verzoeker geen spoedeisend belang hebben, kan de door hen gevraagde voorziening alleen nog worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door het college ingenomen standpunt juist is en of het bestreden besluit in de bodemprocedure in stand zal blijven. De voorzieningenrechter is, terughoudend toetsend, van oordeel dat hiervan geen sprake is..
9. Gelet op alles wat hiervoor is overwogen, zal het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening worden afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P. Bruins-Langedijk, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2024.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.