Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-05-08
ECLI:NL:RBMNE:2024:2958
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Voorlopige voorziening
1,032 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/1778
uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 mei 2024 in de zaak tussen
[verzoeker 1] en [verzoeker 2] , allebei uit [woonplaats] , verzoekers
en
het college van de gemeente Gooise Meren (het college), verweerder
(gemachtigde: mr. S. Kordelaar).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekers tegen het besluit van 21 februari 2024 (het primaire besluit). Bij dat besluit heeft het college aan de gemeente Gooise Meren een omgevingsvergunning verleend voor het nieuw bouwen van kindcentrum [kindcentrum] op locatie [adres] in [woonplaats] (gemeente Gooise Meren).
Overwegingen
3. De voorzieningenrechter kan uitspraak doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om op de zitting te verschijnen als een verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is. Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de voorzieningenrechter nu uitspraak zonder zitting. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.
Geen bezwaarschrift
4. Voor een ontvankelijk verzoek om een voorlopige voorziening is nodig dat verzoekers tegen het besluit waarover het verzoek gaat ook bezwaar hebben gemaakt bij het college. Deze zogeheten connexiteit is een vereiste om het verzoek om een voorlopige voorziening in behandeling te kunnen nemen.
5. Verzoekers hebben bij hun verzoekschrift geen kopie overgelegd van een bezwaarschrift. Na ontvangst van het verzoek om een voorlopige voorziening heeft de griffier eerst gevraagd aan het college wat de stand van zaken is en of er bereidheid is nog niet te starten met de bouwactiviteiten voordat een besluit op bezwaar is genomen. Daarop is vanuit het college toegezegd de bezwaarprocedure af te wachten. Op 10 april 2024 heeft het college de griffier bericht dat hij binnen de bezwaartermijn geen bezwaarschrift heeft ontvangen van verzoekers. De griffier heeft daarna een aantal keren naar het telefoonnummer van verzoekers gebeld, maar heeft verzoekers niet kunnen spreken en ook geen bericht kunnen achterlaten. De griffier heeft dus ook niet kunnen controleren of de bijlage die bij het verzoekschrift is gevoegd als bezwaarschrift is bedoeld. Op 25 april 2024 heeft de griffier aan verzoekers schriftelijk gevraagd binnen een week te reageren of zij een bezwaarschrift hebben ingediend en deze alsnog te overleggen en daarbij erop gewezen dat indien geen bezwaar is ingediend het verzoek niet-ontvankelijk zal zijn. Verzoekers hebben daarop niet gereageerd. Als verzoekers telefonisch en per post niet meer reageren, kan de rechtbank niet anders dan de volgende beslissing nemen.
6. De voorzieningenrechter is niet gebleken dat verzoekers naast het verzoek om voorlopige voorziening bezwaar hebben gemaakt bij het college. Er wordt dus nu niet voldaan aan het connexiteitsvereiste.
Conclusie
7. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. mr. S.C.A. van Kuijeren, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.S.D. de Weerd, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2024.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Artikel 8:81, eerste en derde lid, van de Awb.