Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-02-21
ECLI:NL:RBMNE:2024:2825
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,400 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
kantonrechter
locatie Utrecht
zaaknummer: 10384942 UC EXPL 23-1728 NA/58602
Vonnis van 21 februari 2024
inzake
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiseres] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: [eiseres] ,
eisende partij,
gemachtigde: mr. W.J.R. Okx,
tegen:
[gedaagde]
,
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gedaagde partij,
procederend in persoon.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 18 januari 2023 met productie 1A tot en met productie 16;
het tussenvonnis van 8 maart 2023;
het herstelexploot van 20 juli 2023;
de conclusie van antwoord met bijlagen.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 21 december 2023. Namens [eiseres] was aanwezig de heer [A] . Hij werd bijgestaan door mr. W.J.R. Okx. [gedaagde] is in persoon verschenen, samen met mevrouw [B] . Partijen hebben na de mondelinge behandeling geprobeerd een schikking te bereiken, maar dat is niet gelukt. Daarna heeft de kantonrechter bepaald dat de uitspraak vandaag is.
2Waar gaat deze zaak over?
2.1.
[eiseres] verhuurt personenauto’s en lichte bedrijfsauto’s. [gedaagde] heeft in dat kader, handelend onder de naam [handelsnaam] , twee leaseovereenkomsten gesloten met [eiseres] . [gedaagde] was maandelijks leasetermijnen verschuldigd.
2.2.
Volgens [eiseres] heeft [gedaagde] vanaf maart 2021 niet meer alle leasetermijnen betaald en staat er een bedrag open van € 32.776,27. Omdat betaling aan de zijde van [gedaagde] uitbleef, heeft [eiseres] deze procedure gestart.
2.3.
[eiseres] vordert betaling van de hoofdsom van € 32.776,27, vermeerderd met de wettelijke handelsrente. Ook wil [eiseres] dat [gedaagde] de sleutels teruggeeft van de door hem geleasede auto’s. Tot slot vordert [eiseres] betaling van de buitengerechtelijke incassokosten en vergoeding van de door haar gemaakte proceskosten.
2.4.
[gedaagde] is het niet volledig eens met [eiseres] en stelt het volgende. [gedaagde] heeft in 2022 een totaalbedrag van ruim € 27.000,00 betaald. Er zou daarna in juni 2015 (en na aanpassing van het aantal gereden kilometers) nog een bedrag openstaan van € 15.000,00. [gedaagde] heeft [eiseres] gevraagd om duidelijkheid voor wat betreft het openstaande bedrag, zodat hij de juistheid ervan kon controleren aan de hand van (betaalde) facturen, maar [gedaagde] heeft die duidelijkheid niet gekregen. Uit de door [eiseres] verstrekte betaaloverzichten blijkt dat de administratie niet op orde is en de overzichten komen niet met elkaar overeen. Het lijkt erop dat bepaalde betalingen niet verwerkt zijn. [gedaagde] is daarom van mening dat het onredelijk is om van hem onder deze omstandigheden betaling te verlangen.
2.5.
Hierna wordt – voor zover van belang – op de stellingen van partijen nader ingegaan.
Beoordeling
3.1.
De kantonrechter is van oordeel dat aan de hand van de nu overgelegde informatie niet vast te stellen is welk bedrag [eiseres] nog van [gedaagde] te vorderen heeft. Hoewel het op de weg van [eiseres] had gelegen om hierover al voor de zitting duidelijkheid te verschaffen, zal de kantonrechter [eiseres] in de gelegenheid stellen deze duidelijkheid alsnog te geven. Voor het overige worden alle beslissingen aangehouden.
Geldvordering
De stellingen van [eiseres]
3.2.
[eiseres] vordert in deze procedure betaling van een bedrag van € 32.776,27. Ter onderbouwing van deze vordering verwijst zij naar de door haar als productie 7 in het geding gebrachte facturen. In een eerder toegestuurd overzicht heeft [eiseres] betalingen van [gedaagde] opgenomen die optellen tot een bedrag van € 18.167,17.
De stelling van [gedaagde]
3.3.
[gedaagde] heeft gesteld dat hij meer heeft betaald dan het bedrag van € 18.167,16 waar [eiseres] (mogelijk) mee gerekend heeft. Hij stelt (na aftrek van storneringen) in 2022 een bedrag van € 27.000 te hebben betaald. Verder stelt hij dat er volgens [eiseres] in juni 2022 nog een bedrag van € 9.584,47 open stond. Dat is in juli 2022 verhoogd naar € 12.511,55 vanwege het aantal gereden kilometers. Volgens [gedaagde] zijn niet alle betalingen correct verwerkt. Verder staat volgens hem in een later overzicht ineens factuur 60220347 open terwijl dat in een eerder overzicht niet het geval was.
Wat vindt de kantonrechter?
3.4.
[eiseres] stelt dat [gedaagde] haar nog een bedrag van € 32.776,27 moet betalen. Dat ziet op een gedeelte van de facturen dat [gedaagde] niet zou hebben betaald. Het overzicht van openstaande facturen van [eiseres] waarop dit bedrag van € 32.776,27 staat vermeld is door [eiseres] aan [gedaagde] gestuurd op 21 november 2022 (productie 14). Een maand eerder, op 18 oktober 2022 (productie 10) had [eiseres] een overzicht gestuurd, waarop staat dat [gedaagde] nog een bedrag van € 34.660,60 aan [eiseres] moest betalen. In dat overzicht zijn de betalingen opgenomen die [gedaagde] volgens [eiseres] heeft gedaan in 2021 en 2022. Die betalingen tellen bij elkaar op tot een bedrag van € 18.167,16. [eiseres] heeft zelf op 21 november 2022 geschreven dat dat eerder overzicht van 18 oktober 2022 niet klopte en een overzicht met een lager totaalbedrag gestuurd. Zij heeft echter niet toegelicht waar het geschil uit bestond en hoe zij gerekend heeft.
3.5.
Het is daarom onduidelijk op welke manier [eiseres] haar vordering heeft berekend. Op het overzicht waar zij haar vordering op baseert (productie 14) staan alleen bedragen vermeld die volgens haar nog open staan van eerder verstuurde facturen. Er staat niet (per post) bij of dat om de totale factuurbedragen staat of alleen op de nog openstaande delen van de desbetreffende facturen. Dergelijke informatie was eerder op 18 oktober 2022 wel op het overzicht vermeld. Daarom is niet goed na te gaan welke bedragen [eiseres] in totaal verrekend heeft, en of alle betalingen van [gedaagde] bij de vaststelling van het totaalbedrag van € 32.776,27 zijn meegerekend.
3.6.
Daar komt bij dat [eiseres] tijdens de zitting heeft erkend dat er een groter bedrag door [gedaagde] is betaald dan het hiervoor genoemde bedrag van € 18.167,16. [eiseres] had het er tijdens de zitting over dat van het door [gedaagde] genoemde bedrag van € 27.000 een bedrag van € 4.000 was gestorneerd. De rest, dus een bedrag van rond de € 23.000, zou door [eiseres] zijn ontvangen. Dat is een ander bedrag dan het hiervoor genoemde bedrag van € 18.167,16 dat was genoemd op het overzicht van 18 oktober 2022. Het op 21 november 2022 gestuurde overzicht is ook niet ongeveer € 5.000 lager dan het overzicht van 18 oktober 2022. Het is dus onduidelijk hoe het bedrag van € 32.776,27 berekend is.
3.7.
Gelet op het voorgaande en de stellingen van partijen kan de kantonrechter alleen maar concluderen dat tussen partijen niet in geschil is dat [eiseres] nog een vordering heeft op [gedaagde] . Op grond van de door [eiseres] overgelegde informatie kan de kantonrechter echter niet vaststellen hoe hoog deze vordering is. Het ligt op de weg van [eiseres] om haar vordering zodanig te onderbouwen dat dit wel door de kantonrechter kan worden vastgesteld. Omdat tussen partijen niet in geschil is dat [gedaagde] nog wel een bedrag aan [eiseres] moet betalen zal de kantonrechter [eiseres] (ondanks het feit dat [eiseres] dit al eerder in de procedure had moeten doen) nog eenmaal in de gelegenheid stellen om te onderbouwen welk bedrag zij nog van [gedaagde] te vorderen heeft.
3.8.
De kantonrechter merkt hierbij op dat het hiervoor naar zijn voorlopige oordeel nodig is dat een volledig overzicht worden gegeven van alle verstuurde facturen, en ook een volledig overzicht van alle van [gedaagde] ontvangen betalingen. Zonder deze informatie lijkt het slecht mogelijk om de hoogte van het nog door [gedaagde] aan [eiseres] te betalen bedrag vast te stellen. Overigens begrijpt de kantonrechter uit de stellingen van [gedaagde] dat hij in de voorfase ook al om een dergelijk inzichtelijk overzicht heeft gevraagd maar dat [eiseres] dat niet heeft verstrekt.
3.9.
De kantonrechter zal de zaak verwijzen naar de rol zodat [eiseres] deze akte kan nemen. [gedaagde] zal daarna in de gelegenheid gesteld worden op de akte van [eiseres] te reageren.
Dictum
De kantonrechter:
4.1.
verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 20 maart 2024 te 9.30 uur, waar [eiseres] zich schriftelijk dient uit te laten omtrent hetgeen is overwogen onder 3.8;
4.2.
[gedaagde] zal daarna in de gelegenheid worden gesteld om schriftelijk op de akte van [eiseres] te reageren;
4.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. Wagenaar, en in het openbaar uitgesproken op 21 februari 2024.