Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-03-12
ECLI:NL:RBMNE:2024:2815
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
3,044 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Utrecht
Zaaknummer: C/16/569349 / JE RK 24-142
Datum uitspraak: 12 maart 2024
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
De gecertificeerde instelling De Jeugd & Gezinsbeschermers,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1]
, geboren op [2012] in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1]
[minderjarige 2]
, geboren op [2013] in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] ,
[minderjarige 3]
, geboren op [2016] in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 3] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. B.H. van der Zwan,
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] .
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in haar beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 25 januari 2024.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 12 maart 2024. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
de moeder met haar advocaat;
mevrouw [A] , namens de GI.
1.3.
[minderjarige 1] is uitgenodigd voor een gesprek met de kinderrechter. Hij heeft hiervan geen gebruik gemaakt.
1.4.
De moeder heeft middels een videobelverbinding deelgenomen aan de mondelinge behandeling.
Feiten
2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] .
2.2.
[minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben hun hoofdverblijfplaats bij hun moeder.
2.3.
[minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] verblijven bij hun vader.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 21 maart 2023 [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht gesteld tot 21 maart 2024.
2.5.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 4 juli 2023 een spoedmachtiging verleend om [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen bij de vader. De machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] is daarna verlengd, voor het laatst tot 21 maart 2024.
3Het verzoek
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] te verlengen voor de duur van een jaar, dus tot 21 maart 2025. Ook verzoekt de GI een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] bij de ouder met gezag voor de duur van zes maanden, dus tot 21 september 2024. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4De standpunten
Wat vindt de moeder?
4.1.
De moeder is het niet eens met de verzoeken van de GI en wil dat de kinderen zo snel mogelijk weer bij haar terug komen. De moeder erkent en herkent de zorgen niet. Er is geen sprake van een verslaving en de moeder wil graag hulp om dit aan te tonen. De moeder legt uit dat zij positief is getest op alcohol en cocaïne, niet omdat zij verslaafd is, maar omdat zij dit zelf tot zich heeft genomen om opgenomen te kunnen worden. Tijdens een opname wil de moeder bewijzen dat het goed met haar gaat en zij juist geen middelen gebruikt, zodat de kinderen weer bij haar kunnen komen wonen. De eerste stap die nu moet worden gezet is het contact herstellen tussen de moeder en de kinderen.
Wat vindt de vader?
4.2.
De vader vindt een verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing heel zwaar voor de kinderen, maar op dit moment nog wel nodig. Hoewel de vader en zijn partner hard hun best doen om de kinderen zo goed mogelijk op te vangen, vraagt dit bijzonder veel van hen. De huidige situatie brengt namelijk zeer veel spanning en onzekerheid met zich mee. Daar komt bij dat de zorg voor de kinderen lastig te combineren is met het werk van de vader en zijn partner, en het een opgave is om de zorg voor de kinderen te kunnen bekostigen, mede omdat de vader geen toeslagen voor de kinderen ontvangt nu die nog bij de moeder zijn ingeschreven. Daarnaast staat ook de relatie tussen de vader en zijn partner onder druk door de situatie. Verder is de omgang tussen de moeder en de kinderen meermaals opgeschort en dit zorgt voor zeer veel onrust bij de kinderen. De vader heeft bij een eerdere zitting gezegd dat hij vertrouwen in de moeder had. In dat vertrouwen is nu een grote deuk gekomen, door de laatste positieve testen. De kinderen willen nog steeds graag weer bij de moeder wonen want zij houden ontzettend veel van haar, en de moeder ook van hen. De vader had een co-ouderschap voor ogen, omdat hij dat de kinderen gunt. Nu ziet hij dat de weg daar naartoe nog lang is. De vader zou graag willen dat de kinderen omgang met de moeder kunnen hebben, maar zo lang de moeder positief blijft testen op middelen is dit niet mogelijk. Hij hoopt dat hier snel verandering in komt zodat de kinderen hun moeder kunnen zien.
Dictum
5.1.
De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] verlengen voor de duur van een jaar, oftewel tot 21 maart 2025. Daarnaast zal de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] verlengen voor de duur van zes maanden, oftewel tot 21 september 2024. Zij legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.
De toelichting
5.2.
Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De kinderrechter zal daarom de ondertoezichtstelling van [B] verlengen voor de duur van een jaar (artikel 1:260, eerste lid, BW). Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [B] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. De kinderrechter zal daarom ook de machtiging tot uithuisplaatsing van [B] verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling (artikel 1:265c, tweede lid, BW).
De zorgen
5.3.
De moeder heeft de afgelopen periode de kans gehad om duidelijkheid te verschaffen over haar middelengebruik. In het begin van deze periode heeft de moeder zich gehouden aan de afspraken over de urine controles. Vanaf september 2023 verliepen de afspraken niet altijd volgens afspraak en werden de uitslagen van de controles als onbetrouwbaar aangemerkt. Hoewel de moeder ermee had ingestemd om zich voor een langere periode te laten testen, is zij hier rond eind december 2023 zonder medeweten van de GI mee gestopt. Nadat de GI dit had ontdekt heeft de GI noodgedwongen de omgang tussen de kinderen een de moeder moeten opschorten, omdat niet kon worden vastgesteld dat de moeder niet onder invloed was en de omgang veilig was voor de kinderen. De moeder is vervolgens recent opnieuw positief getest op cocaïne en alcohol.
5.4.
Gelet op het feit dat er structureel sprake is van positieve testen het afgelopen jaar, kan de rechtbank niet anders dan concluderen dat er sprake is van middelengebruik door de moeder. Hoewel de moeder verschillende verhalen heeft over hoe de middelen in haar lichaam zijn gekomen, staat nu voor de rechtbank vast dat er sprake is van middelengebruik. De kinderrechter benadrukt dat het in beginsel in het belang is van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] om op te groeien bij hun vader en hun moeder. Nu de moeder positief blijft testen op zowel alcohol als cocaïne en desondanks nog steeds zegt dat er geen sprake is van middelengebruik, en daarbij zwanger is van een vijfde kind, is er sprake van een zeer grote ontwikkelingsbedreiging voor de kinderen. De kinderrechter vindt het zeer verdrietig voor de moeder dat zij met een verslaving kampt en dat zij de kinderen zo mist, maar gelet op het middelengebruik en moeders ontkenning daarvan is het op dit moment niet in het belang van de kinderen om weer bij de moeder te gaan wonen. De kinderrechter gunt de moeder de juiste hulp en hoopt dat zij kan erkennen waar het probleem ligt, zodat zij ook de juiste hulp zal kunnen ontvangen. Erkenning is de eerste oplossing en de sleutel ligt hier bij de moeder. Op dit moment is het naar het oordeel van de kinderrechter noodzakelijk dat de kinderen niet terug gaan naar de moeder.
5.5.
De aankomende periode zullen de kinderen daarom bij de vader blijven. Hoewel het voor de vader en zijn partner een grote opgave is, doen zij hard hun best om zo goed mogelijk voor de kinderen te zorgen en ze te ondersteunen in deze voor hun lastige situatie. De kinderrechter ziet dat de vader zeer betrokken is en de vader en zijn partner zich ontzettend inzetten voor de kinderen, maar dat het zwaar voor hun is om de gehele zorg voor de kinderen te dragen. De manier waarop niet alleen de vader maar ook zijn partner – die niet gevraagd heeft om deze situatie – alles op alles zetten om te doen wat zij kunnen is voor de kinderen ontzettend fijn, en lovenswaardig. Het is voor de kinderen van belang dat de vader en zin partner overeind blijven. Het is daarom belangrijk dat de GI zo nodig de komende tijd ook kijkt naar wat de vader en zijn partner nodig hebben om overeind te blijven. Daarnaast is het de aankomende periode van belang om te bekijken op welke manier de moeder aan de kinderen kan laten weten dat zij ondanks dat zij nu niet voor de kinderen kan zorgen, aan ze denkt en van ze houdt.
Dictum
De kinderrechter:
5.6.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] tot 21 maart 2025;
5.7.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] bij de ouder met gezag, te weten de vader, tot 21 september 2024;
5.8.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2024 door mr. T. Dopheide, kinderrechter, in aanwezigheid van M.C. Beens als griffier, en op schrift gesteld op 2 mei 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden.