Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-01-23
ECLI:NL:RBMNE:2024:239
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
22,547 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/284467-21 (P)
Vonnis van de meervoudige kamer van 23 januari 2024
in de strafzaak tegen
[verdachte]
,
geboren op [1985] te [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres] te [woonplaats] , hierna: verdachte.
1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 11 december 2023 en 9 januari 2024. De strafzaak is inhoudelijk behandeld op 11 december 2023. Op 9 januari 2024 is het onderzoek ter terechtzitting gesloten.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. J.R.F. Esbir Wildeman en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. S. de Korte, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht. Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van hetgeen de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 9] , [benadeelde 3] , [benadeelde 4] en [benadeelde 5] naar voren hebben gebracht.
2TENLASTELEGGING
De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
feit 1
in de periode van 4 februari 2018 tot en met 9 augustus 2018 in Vianen, in elk geval in Nederland, samen met (een) ander(en), [aangever 1] , [aangever 2] , [aangever 3] en [benadeelde 6] heeft opgelicht voor een geldbedrag van telkens 18.000 euro;
feit 2
in de periode van 28 augustus 2018 tot en met 24 maart 2021 in Vianen, in elk geval in Nederland, samen met (een) ander(en) [aangever 4] , [aangever 5] , [aangever 6] , [benadeelde 7] , [aangever 8] , [aangever 9] , [benadeelde 2] , [aangever 10] , [aangever 11] , [aangever 12] , [aangever 13] , [aangever 14] , [aangever 15] en [aangever 16] heeft opgelicht voor geldbedragen van 5.444,27 euro, 2.181 euro, 4.839,73 euro, 4.839,73 euro, 7.493,09, 1.630,30 euro, 4.416,60 euro, 1.196,80 euro, 1.335,89 euro, 487,65 euro, 879,90 euro, 1.200 euro, 2.779,92 euro en 1.157,79 euro;
feit 3
in de periode van 31 juli 2019 tot en met 13 december 2019 in Vianen, in elk geval in Nederland, samen met (een) ander(en) [benadeelde 8] en/of [benadeelde 3] , [aangever 7] en [benadeelde 2] heeft opgelicht voor geldbedragen van 18.000 euro, 3.500 euro en 11.000 euro;
feit 4
in de periode van 1 februari 2018 tot en met 9 december 2019 in Vianen, in elk geval in Nederland, meermalen valsheid in geschrift heeft gepleegd;
feit 5
in de periode van 11 december 2018 tot en met 21 februari 2022 in Vianen en/of Utrecht, in elk geval in Nederland, terwijl hij op 11 december 2018 in staat van faillissement was verklaard, opzettelijk geen, onjuiste of onvolledige inlichtingen heeft gegeven aan de curator.
3VOORVRAGEN
De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4WAARDERING VAN HET BEWIJS
4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend te bewijzen zijn. De officier van justitie heeft verzocht verdachte vrij te spreken van het onder feit 1, feit 2 en feit 3 ten laste gelegde medeplegen, omdat vast staat dat verdachte de feiten alleen heeft gepleegd.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit van het onder feit 2 en feit 3 ten laste gelegde en zich op het standpunt gesteld dat bij feit 2 geen sprake is geweest van een specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen waardoor bij een ander een onjuiste voorstelling van zaken in het leven is geroepen om daarvan misbruik te maken. Ten aanzien van beide feiten heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een oplichtingsmiddel, zoals genoemd in artikel 326 Wetboek van Strafrecht (Sr).
De raadsman heeft daarnaast (dan wel subsidiair) vrijspraak verzocht van het onder feit 1, 2 en 3 ten laste gelegde medeplegen. Ook heeft hij betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder feit 4, vierde en het bijhorende elfde gedachtestreepje, ten laste gelegde, omdat het weglaten van het rekeningnummer niet valselijk of in strijd is met de waarheid. Voor het overige van feiten 1 en 4 en voor feit 5 heeft hij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
4.3
Beoordeling
Inleiding
Verdachte was mede-eigenaar van de vennootschap onder firma [VOF] , een onafhankelijke Apple-verkoper en support aanbieder waarbij particulieren – telefonisch en/of fysiek aan huis – werden geholpen met problemen met hun Apple-producten. [bedrijf 1] was een handelsnaam van [VOF] gericht op de zakelijk klanten van het bedrijf. De vennootschap onder firma kwam in de financiële problemen en werd uiteindelijk op 8 januari 2019 failliet verklaard. Verdachte is kort daarvoor, op 11 december 2018, persoonlijk failliet verklaard.
Bewijs van het onder feit 1, feit 4 en feit 5 ten laste gelegde
Verdachte heeft het onder feit 1, feit 4 en feit 5 ten laste gelegde bekend. De raadsman heeft enkel partiële vrijspraak bepleit van het vierde en (bijhorende) elfde gedachtestreepje van het onder feit 4 ten laste gelegde. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:
Feiten
- De bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 11 december 2023;
Feit 1
een ambtsedig proces-verbaal van aangifte met bijlagen nr. PL2100-2019199081-l d.d. 25 september 2019, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] (blz. 150 tot en met 153 van proces-verbaal nr. 2021226561), inhoudende de verklaring van aangever [aangever 1] ;
een ambtsedig proces-verbaal van aangifte met bijlagen nr. PL1300-2019231183-l d.d. 2 november 2019, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 2] (blz. 277 tot en met 280 van proces-verbaal nr. 2021226561), inhoudende de verklaring van aangever [aangever 2] ;
een ambtsedig proces-verbaal van aangifte met bijlagen nr. PL0600-2019013355-l d.d. 9 januari 2019, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 3] (blz. 301 tot en met 303 van proces-verbaal nr. 2021226561), inhoudende de verklaring van aangever [aangever 17] ;
een ambtsedig proces-verbaal van aangifte met bijlagen nr. PL2000-2019006596-l d.d. 7 januari 2021, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 4] (blz. 308 tot en met 310 van proces-verbaal nr. 2021226561), inhoudende de verklaring van aangever [benadeelde 5] namens [benadeelde 6] ;
Feit 4
een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering, te weten een geldleningsovereenkomst tussen [aangever 1] en [VOF] V.O.F. d.d. 1 februari 2018 (blz. 270 tot en met 274 van proces-verbaal nr. 2021226561);
een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering, te weten een proposal d.d. 22 januari 2018 (blz. 275 en 276 van proces-verbaal nr. 2021226561);
een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering, te weten een proposal d.d. 23 februari 2018 (blz. 297 en 298 van proces-verbaal nr. 2021226561);
een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering, te weten een factuur d.d. 6 oktober 2018 (blz. 457 van proces-verbaal nr. 2021226561);
een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering, te weten een e-mailbericht van december 2019 d.d. 12 januari 2021 (blz. 537 van proces-verbaal nr. 2021226561);een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering, te weten een e-mailbericht d.d. 4 februari 2018 (blz. 180 van proces-verbaal nr. 2021226561);
een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering, te weten een geldleningsovereenkomst tussen [benadeelde 6] BV en [bedrijf 1] d.d. 8 augustus 2018 (blz. 312 en 313 van proces-verbaal nr. 2021226561);
Feit 5
een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering, te weten een brief van curator [curator] aan de politie d.d. 30 januari 2020 met bijlagen (blz. 798 tot en met 880 van het proces-verbaal nr. 2021226561);
een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering, te weten een brief van de curator met bijlagen d.d. 21 februari 2022 (blz. 1603 tot en met 1605 van proces-verbaal nr. 2021226561).
De hiervoor weergegeven bewijsmiddelen worden steeds gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud uitdrukkelijk betrekking hebben. Sommige onderdelen van de bewijsmiddelen hebben niet betrekking op alle feiten, maar op één of meerdere feiten.
Bewijs van het onder feit 2 en feit 3 ten laste gelegde
Feiten
De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen uit van de navolgende feiten.
De eerste financiële problemen van [VOF] / [bedrijf 1] ontstonden in 2016-2017.
[aangever 5] had op 28 augustus 2018 contact met de telefonische helpdesk van [VOF] . Verdachte hielp haar met problemen aan haar Macbook. Aan het einde van het telefoongesprek vertelde verdachte dat hij haar een nieuwe Macbook met korting kon leveren. [aangever 5] maakte diezelfde dag een geldbedrag van € 2.182,- over, naar een rekeningnummer op naam van verdachte, voor een Apple computer, maar kreeg deze nooit geleverd. Voornoemd geldbedrag is op 28 augustus 2018 bijgeschreven op de rekening van verdachte.
[aangever 6] , die mede namens [benadeelde 7] aangifte heeft gedaan, deed al langer zaken met verdachte. Hij was hun contactpersoon van [bedrijf 1] en [VOF] . Verdachte ondersteunde het bedrijf al jaren met betrekking tot Apple-diensten. Op 25 september 2018 benaderde verdachte [aangever 6] via Whatsapp over de aankoop van Apple-apparatuur met 15% korting. [aangever 6] betaalde daarop twee keer een geldbedrag van € 4.839,73; eerst via de rekening van [benadeelde 7] en later (door vermeende technische problemen) via haar privérekening, naar een rekening van verdachte voor twee Macbooks en twee iPhones. [aangever 6] kreeg de Apple apparatuur niet geleverd. Op zowel 25 september als 26 september 2018 is een bedrag van € 4.839,73 bijgeschreven op de rekening van verdachte, afkomstig van bankrekeningen op naam van (o.a.) [aangever 6] en op naam van [benadeelde 7] .
Op 6 oktober 2018 benaderde verdachte [aangever 8] via iMessage dat de order van [aangever 8] betreffende een Apple Macbook Pro tegen 10% korting besteld kon worden. Op verzoek van verdachte maakte [aangever 8] dezelfde dag € 7.493,09 over naar een rekening van verdachte. [aangever 8] had al meerdere keren zaken gedaan met en producten afgenomen van [bedrijf 1] , maar kreeg deze keer de Apple apparatuur niet geleverd. [aangever 8] kreeg van verdachte een factuur van [bedrijf 1] toegestuurd waarop het rekeningnummer van [bedrijf 1] bleek te zijn weggehaald. Voornoemd geldbedrag is op 6 oktober 2018 bijgeschreven op de rekening van verdachte.
[aangever 9] kwam door tussenkomst van haar zoon in contact met verdachte. Die zoon kreeg namelijk een bericht van verdachte over 15% korting op Apple computers en [aangever 9] was op zoek naar een nieuwe computer. Verdachte vertelde dat zij gebruik kon maken van de actie als zij het geldbedrag alvast zou overmaken. [aangever 9] heeft op 1 november 2018 € 1.630,30 overgemaakt voor een Apple Macbook naar een rekening van verdachte. De Macbook heeft zij niet geleverd gekregen. Voornoemd geldbedrag is op 1 november 2018 bijgeschreven op de rekening van verdachte.
[aangever 4] ontving van verdachte een bericht waarin verdachte aangaf Apple-apparatuur te kunnen leveren met 15% korting. Op 14 november 2018 bestelde [aangever 4] , na Whatsappcontact met verdachte, twee Apple-laptops met Apple-accessoires en betaalde bij direct via een meegestuurde betaallink aan verdachte. [aangever 4] kende verdachte al jaren door de levering van Apple-apparatuur en telefonische support via [VOF] . Verdachte heeft de Apple apparatuur niet geleverd aan [aangever 4] . Voornoemd geldbedrag is op 14 november 2018 bijgeschreven op de rekening van verdachte
Op 17 juni 2019 ontving [benadeelde 8] , een oud klasgenoot van verdachte, een bericht via Facebook van verdachte. Verdachte gaf aan dat hij iemand zocht die wilde investeren tegen een rentepercentage van 20% in een groot house automation project waarbij € 18.000,- aan hardware zou worden ingekocht. [benadeelde 8] besloot, met haar partner [benadeelde 3] , het gevraagde geldbedrag van € 18.000,- te lenen aan verdachte, omdat zij wist dat hij mede-eigenaar was van [VOF] en wist waar deze VOF zich mee bezighield. Op 31 juli 2019 ondertekenden zij een overeenkomst met verdachte en maakte zij het geldbedrag over naar een rekening van verdachte. Zowel [benadeelde 8] als [benadeelde 3] hebben het geleende geldbedrag (inclusief rente) niet teruggekregen van verdachte. Voornoemd geldbedrag is op 1 augustus 2019 bijgeschreven op de rekening van verdachte.
[aangever 7] heeft voor zijn bedrijf de afgelopen tien jaar voor het doen van aangifte veelvuldig contact gehad met verdachte en het bedrijf van verdachte, namelijk [VOF] / [bedrijf 1] B.V., voor Apple support. Verdachte belde [aangever 7] op 22 augustus 2019 en vertelde dat hij een overbruggingskrediet van € 18.000,- nodig had voor een project om Apple iMac computers te kopen, nieuwe SSD-schijven erin te zetten en daarna weer te verkopen. [aangever 7] is daar toen niet op ingegaan. [aangever 7] werd weer door verdachte benaderd op 28 augustus 2019 via Whatsapp. Verdachte gaf aan dat hij € 3.500,- miste voor het eerdergenoemde project en vroeg of [aangever 7] hem dit bedrag kon lenen. [aangever 7] ging hiermee akkoord en heeft diezelfde dag het bedrag van € 3.500,- overgemaakt naar een rekening van verdachte. [aangever 7] heeft het geleende geldbedrag niet, op de afgesproken datum of later, ontvangen.Voornoemd geldbedrag is op 28 augustus 2019 bijgeschreven op de rekening van verdachte.
Aangever [benadeelde 2] kwam met verdachte in contact gebracht door één van zijn klanten, [klant] , die investeerde in een project van verdachte. Hij hoorde dat verdachte een investeerder zocht voor het een project ten behoeve van het ombouwen van Macbooks/iMacs. Op 11 september 2019 benaderde verdachte [benadeelde 2] in persoon . [benadeelde 2] maakte op 12 september 2019 een geldbedrag van € 11.000,- over naar een rekening van verdachte. Verdachte heeft het geld niet terugbetaald. Voornoemd geldbedrag is op 13 september 2019 bijgeschreven op de rekening van verdachte.
Op 24 september 2019 benaderde verdachte [benadeelde 2] via Whatsapp. Hij bood die dag alle Apple-producten met 15% korting aan. Diezelfde dag bestelde [benadeelde 2] drie iPads Pro en een iPhone 11 Pro voor het bedrijf [benadeelde 2] en maakte een geldbedrag van € 4.416,60 over naar een rekening van verdachte. [benadeelde 2] heeft de Appleapparatuur niet geleverd gekregen. Voornoemd geldbedrag is op 24 september 2019 bijgeschreven op de rekening van verdachte.
Op 2 oktober 2019 benaderde verdachte [aangever 10] via een Whatsapp-bericht waarin stond dat verdachte die dag weer met 15% korting Apple-producten kon inkopen. [aangever 10] kende verdachte al tien jaar doordat hij in het verleden een goede zakelijke relatie had met [VOF] . [aangever 10] wilde een iPad Pro en verdachte gaf aan dat hij deze iPad voor € 1.196,80 euro binnen een week kon leveren. Diezelfde dag maakte [aangever 10] het geldbedrag van € 1.196,80 over naar een rekening van verdachte. [aangever 10] kreeg de Apple-apparatuur niet geleverd en hij kreeg zijn geld niet terug. Voornoemd geldbedrag is op 2 oktober 2019 bijgeschreven op de rekening van verdachte.
Op 3 oktober 2019 benaderde verdachte [aangever 11] met een bericht op Facebook Messenger waarin hij een aanbod deed van 15% korting op Apple-producten. [aangever 11] kende verdachte van [bedrijf 1] via haar vorige werkgever. [aangever 11] maakte op 4 oktober 2019 een bedrag van € 1.335,89 over naar een rekening van verdachte voor een Macbook Pro. De Apple-apparatuur werd niet geleverd en na annulering kreeg [aangever 11] haar geld niet terug. Voornoemd geldbedrag is op 4 oktober 2019 bijgeschreven op de rekening van verdachte.
De zoon van [aangever 12] bestelde een Apple iPhone 11 bij verdachte. Verdachte zou een eigen bedrijf hebben en een reseller van Apple zijn. [aangever 12] en haar zoon hebben op 15 oktober en op 21 oktober 2019 respectievelijk € 250,- en € 237,65 overgemaakt.
Feiten
De rechtbank concludeert op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen dat verdachte de aangevers genoemd onder feiten 1, 2 en 3 steeds heeft bewogen tot afgifte van geldbedragen door het aannemen van een valse hoedanigheid, namelijk door zich voor te doen als bonafide ondernemer. Daarnaast heeft verdachte zich ten aanzien van alle onder feit 1 en enkele onder feit 2 genoemde aangevers bediend van listige kunstgrepen en/of een samenweefsel van verdichtsels. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting en overweegt daartoe als volgt.
Oplichtingsmiddelen
De raadsman heeft er terecht op gewezen dat niet iedere vorm van bedrog en niet iedere toerekenbare tekortkoming in civielrechtelijke zin bewijs van oplichting oplevert. De rechtbank is echter in het geval van verdachte van oordeel dat hij zich schuldig heeft gemaakt een specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen, waarbij hij bij anderen een onjuiste voorstelling van zaken in het leven heeft geroepen teneinde daarvan misbruik te maken. De rechtbank overweegt als volgt.
Verdachte heeft tot zijn faillissement eind 2018 een ICT-bedrijf, [VOF] / [bedrijf 1] , gerund. Een deel van de ten laste gelegde gedragingen vond in die tijd plaats. Het andere deel vond plaats nadat verdachte in staat van faillissement verkeerde en niet meer werkzaam was voor het bedrijf.
De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen een steeds terugkerende werkwijze (modus operandi) van verdachte af. Verdachte benaderde personen uit de (voormalige) zakelijke klantenkring van [VOF] / [bedrijf 1] en bekenden/familie met het verzoek te investeren in veelbelovende projecten of met het aanbod Apple-producten te kopen met hoge korting. Verdachte legde ondertekende overeenkomsten over als bewijs van het bestaan van de projecten en hij sloot kortdurende geldleningsovereenkomsten af met hoge rentepercentages. Verdachte maakte hierbij misbruik van de goede naam die hij had opgebouwd met het werk dat hij eerder had verricht, zelfs nadat hijzelf en [VOF] / [bedrijf 1] failliet waren verklaard. De personen die besloten te investeren deden dat omdat zij verdachte en zijn bedrijf vertrouwden. De rechtbank acht het in dit verband overigens ook niet ongebruikelijk dat zakelijke contacten in de ICT- en/of IT-branche elkaar om hulp vragen bij een investering van duizenden euro’s.
Verdachte maakte misbruik van datzelfde vertrouwen bij de personen die dachten Apple-producten met hoge korting bij hem te kopen. De hoogte van de korting maakte het aanbod extra aantrekkelijk. In een enkel geval overlegde verdachte valse/vervalste stukken ( [aangever 8] en [aangever 13] ). Verdachte maakte ook gebruik van zijn kennisvoorsprong en in het maatschappelijk verkeer geldende gedragspatronen. Om in te kunnen schatten of de door verdachte voorgespiegelde korting realistisch is, is namelijk specifieke kennis en expertise op het gebied van Apple-producten nodig. Iets waarover verdachte wel, maar de personen die met hem in contact kwamen niet (zonder meer) beschikte(n). Verdachte liet deze personen daarnaast op voorhand betalen; een gebruikelijke gang van zaken bij de (online) aanschaf van consumentenproducten.
Verdachte heeft gedurende een periode van drie jaren (4 februari 2018 tot en met 9 februari 2021) 22 personen/bedrijven ten onrechte voorgehouden dat hij een eerlijke ondernemer was, die geleend geld zou investeren en bij hem bestelde Apple-producten met korting zou leveren. Die projecten bestonden echter niet en verdachte kreeg geen hoge korting op Apple-producten. Hiermee heeft verdachte in alle gevallen een onjuiste voorstelling van zaken in het leven geroepen. Dit terwijl aangevers op zijn oprechtheid en expertise vertrouwden. Verdachte heeft bewust misbruik gemaakt van dat vertrouwen.
Aangezien [VOF] / [bedrijf 1] al langere tijd in financieel zwaar weer verkeerde en daarna in staat van faillissement - net als verdachte zelf - en verdachte het geld dat hij ontving gebruikte om andere schulden in te lossen en vergokte in de handel in cryptocurrency en in het casino, gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte van meet af aan niet van plan is geweest om het geleende geld terug te betalen of de bestelde producten te leveren. Verdachtes handelswijze, die veel weg heeft van Ponzifraude, maakte het immers onmogelijk om aan alle overeenkomsten te voldoen. Verdachte heeft hierover bij herhaling gelogen, hetgeen bijdraagt aan het bewijs van oplichting.
Vrijspraak medeplegen
De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het onder feit 1, feit 2 en feit 3 ten laste gelegde medeplegen, omdat niet is gebleken dat verdachte de feiten samen met een of meer anderen heeft gepleegd.
Feit 4 - Valsheid in geschrift: het verwijderen van het bankrekeningnummer
Van het vervalsen van een bestaand geschrift is sprake indien het geschrift zodanig wordt veranderd dat het daarna vals is. Dit kan gebeuren door iets te veranderen of toe te voegen, maar ook door alleen iets te verwijderen. Verdachte heeft op de terechtzitting verklaard het rekeningnummer bewust te hebben weggelaten zodat het geld niet direct naar de rekening van het bedrijf zou gaan en hij hierover kon beschikken. Verdachte heeft een bestaande factuur op zo’n manier aangepast dat de ontvanger van de factuur doelbewust werd misleid. Hiermee heeft hij de waarheid omtrent de bestelling met korting verhuld en dat maakt de factuur vals.
5BEWEZENVERKLARING
Als gevolg van een kennelijke vergissing staat in de tenlastelegging onder feit 2 “ [aangever 5] ” in plaats van “ [aangever 5] ”. Daarnaast staat in de tenlastelegging onder feit 4 bij het derde en bijbehorende negende gedachte streepje “proposal OS-C&A-22-02-2018” in plaats “proposal OS-C&A-22-01-2018”. De rechtbank herstelt deze vergissingen. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Beoordeling
Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich gedurende een periode van drie jaren meermalen schuldig gemaakt aan oplichting, waarbij hij steeds op dezelfde manier opereerde. Verdachte maakte misbruik van zijn goede naam en het vertrouwen dat hij genoot. Daarbij schuwde verdachte niet om meermalen valsheid in geschrift te plegen om op die manier zijn leugens kracht bij te zetten. Verdachte heeft zo 22 personen/bedrijven uit zowel zijn zakelijke als persoonlijke kring financieel benadeeld. De benadelingsbedragen liggen tussen de circa € 480,- en € 18.000,- per slachtoffer. Het totale benadelingsbedrag loopt in de tonnen.
Door op deze manier te handelen heeft verdachte daarnaast ernstige schade toegebracht aan het vertrouwen in het handelsverkeer, in het bijzonder van de aangevers. Deelnemers aan het handelsverkeer moeten tot op zekere hoogte kunnen vertrouwen in de oprechtheid waarmee anderen aan dit verkeer deelnemen. Verdachte heeft dit vertrouwen ernstig geschaad door alsmaar door te blijven gaan met het plegen van oplichtingen, zelfs nadat hij persoonlijk failliet was verklaard en nadat hij in verzekering was gesteld in december 2020. Ook indringende oproepen van de curator om zijn frauduleuze praktijken staken sorteerden geen enkel effect.
Verdachte heeft op de terechtzitting verklaard dat financiële wanhoop hem heeft gedreven tot zijn daden. Terugkijkend op de gebeurtenissen is hij daar, naar eigen zeggen, veel te ver in gegaan. Dat is ook het verwijt dat de rechtbank hem maakt. Verdachte heeft bij zijn handelen slechts oog gehad voor het redden van zijn bedrijf (en zichzelf) en is daarbij geheel voorbijgegaan aan de belangen van de vele slachtoffers die hij heeft gemaakt. Verdachte heeft daarnaast onverantwoorde risico’s genomen met geld dat niet van hem of het bedrijf was, door dit te beleggen in cryptovaluta en ermee te gokken in het casino. De rechtbank verwijt verdachte ook hoe hij gedurende jaren is omgegaan met de financiële chaos die hij zelf had gecreëerd. Verdachte heeft geen hulp gezocht, maar heeft de schuldenberg alleen maar vergroot. Verdachte nam geen verantwoordelijkheid in zijn faillissement en werkte niet constructief mee aan een afwikkeling daarvan. Verdachte heeft die afwikkeling door zijn laakbare handelwijze zelfs jarenlang bewust tegengewerkt en gefrustreerd. Dit heeft, begrijpelijkerwijs, veel kwaad bloed gezet bij verdachtes schuldeisers.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft kennis genomen van het strafblad van 31 oktober 2023, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.
Voorts heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 22 september 2022. De reclassering vindt het zorgelijk dat het (delict)gedrag van verdachte over een langere periode heeft plaatsgevonden en dat verdachte dit ondanks de verhoren van de politie, adviezen van De Waag en familie, de druk vanuit gedupeerden en de betrokkenheid van een curator, heeft voortgezet. De oorzaak hiervan heeft zij niet opgehelderd gekregen. Verdachte heeft of geeft geen antwoord op deze vraag. De reclassering kan zich niet aan de indruk onttrekken dat verdachte onvoldoende openheid heeft gegeven. De reclassering heeft geadviseerd geen bijzondere voorwaarden op te leggen indien een straf volgt, omdat zij de risico’s niet kan inschatten en geen mogelijkheden ziet om de risico’s te verlagen door middel van interventies, controle of toezicht.
Op te leggen straf
De rechtbank acht, door de ernst van de bewezen verklaarde feiten, zonder meer de oplegging van een gevangenisstraf van aanzienlijk duur passend en geboden.
Verdachte stelt nog steeds de aangevers te willen terugbetalen. Door echter niet mee te werken aan de afwikkeling van zijn persoonlijk faillissement heeft de rechtbank sterke twijfels aan dit door hem naar voren gebrachte doel. Daarbij komt dat uit het onderzoek van de curator is gebleken dat hij ten tijde van het faillissement binnengekomen gelden overmaakte naar rekeningnummers die bij de curator niet bekend waren. Hij heeft zelf verklaard niet méér te willen werken, omdat hij dan meer moest afdragen. De rechtbank maakt zich tot op de dag van vandaag zorgen over de houding van verdachte, te meer nu de reclassering ook niet heeft kunnen achterhalen wat maakt dat hij dit gedrag heeft vertoond en ook geen mogelijkheden ziet om eventuele herhaling in de toekomst te voorkomen. De rechtbank ziet hierin aanleiding om naast een onvoorwaardelijk deel een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, onder de algemene voorwaarde dat verdachte geen strafbare feiten pleegt. Verdachte is voor lange tijd, na verschillende waarschuwingen, doorgegaan met het plegen van strafbare feiten. De rechtbank acht hierom een forse stok achter de deur van belang.
Het heeft enige tijd geduurd voordat de zaak op zitting is behandeld. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen. Naar het oordeel van de rechtbank is de redelijke termijn aangevangen op 7 december 2020, de dag dat verdachte is aangehouden. Het eindvonnis wordt op 23 januari 2024 gewezen en dat betekent dat de redelijke termijn met ruim één jaar is overschreden. De rechtbank volstaat met de constatering hiervan, omdat verdachte door is gegaan met het plegen van strafbare feiten na zijn aanhouding en meerdere keren onbereikbaar is gebleven voor politie en justitie. De verhoren van verdachte hebben uiteindelijk na meerdere oproepen en overleg met de politie pas plaatsgevonden in 2021, waarbij verdachte voor het eerst is verhoord op 8 maart 2021.
Al het voorgaande afwegend en gelet op straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd acht de rechtbank oplegging van een gevangenisstraf van dertig maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan tien maanden voorwaardelijk en een proeftijd van twee jaren, passend en geboden.
Voorlopige hechtenis
De rechtbank wijst de vordering van de officier van justitie tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis af. De rechtbank weegt verdachtes persoonlijke belangen bij het in vrijheid afwachten van het eventuele verdere verloop van het proces zwaarder dan het strafvorderlijk belang. Daarnaast kan het recidiverisico met de geldende schorsingsvoorwaarden in voldoende mate worden ingeperkt.
9BENADEELDE PARTIJEN
9.1
De vorderingen van benadeelde partijen ontstaan
vóór
het faillissement op 11 december 2018
De volgende benadeelde partijen zijn met verdachte verbintenissen aangegaan voordat verdachte privé in staat van faillissement is verklaard.
Beoordeling
De rechtbank zal de benadeelde partijen [aangever 1] , [aangever 2] , [aangever 17] , [benadeelde 6] , [aangever 5] , [aangever 6] , [benadeelde 7] en [aangever 9] niet-ontvankelijk verklaren in hun vorderingen en overweegt hiertoe als volgt.
Uit artikel 26 van de Faillissementswet (Fw) in combinatie met artikel 110 Fw volgt dat rechtsvorderingen die strekken tot het verrichten van betalingen uit een failliete boedel alleen kunnen worden ingediend bij de curator in het faillissement. Hiermee wordt de door de Fw beoogde gelijkheid van schuldeisers gewaarborgd. Wel kan de faillissementscurator, die uit hoofde van zijn bijzondere positie als vertegenwoordiger van de gezamenlijke schuldeisers van de gefailleerde bevoegd is voor de belangen van die schuldeisers in rechte op te komen, zich ten behoeve van die gezamenlijke schuldeisers als benadeelde partij in het strafgeding tegen de gefailleerde verdachte (of een derde) voegen.
Aangezien het faillissement van verdachte niet is opgeheven, de rechtsvorderingen van de benadeelde partijen zijn ontstaan vóór het faillissement en daarna zijn ingediend in het strafproces, vallen deze onder de reikwijdte van voornoemde bepalingen. De rechtbank is daarnaast niet gebleken dat de curator zich namens de schuldeisers heeft gevoegd in het strafgeding. Het strafdossier bevat immers slechts een niet-ingevuld Verzoek tot schadevergoeding en uit het wensenformulier dat is ingevuld en ondertekend op 25 januari 2023 leidt de rechtbank af dat geen schadebedrag wordt gevorderd.
De rechtbank overweegt verder dat het in dit soort gevallen mogelijk is de schadevergoedingsmaatregel, als bedoeld in artikel 36f Sr, op te leggen. De rechtbank ziet hier echter van af omdat niet-nakoming wordt bedreigd met gijzeling en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel alsnog het hiervoor genoemde beginsel van gelijkheid van schuldeisers ten aanzien van de boedel geweld wordt aangedaan.
De benadeelde partijen zullen als de in het ongelijk gestelde partijen worden veroordeeld in de proceskosten van verdachte. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.
9.2
De vorderingen van benadeelde partijen ontstaan
na
het faillissement op 11 december 2018
9.2.1
Ontvankelijkheid
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat alle vorderingen van de benadeelde partijen - en dus ook die het gevolg zijn van rechtsvorderingen ontstaan na faillissement - niet-ontvankelijk moet worden verklaard op grond van artikel 26 Fw. De rechtbank ziet dit anders. Uit artikel 24 Fw volgt namelijk dat de boedel niet aansprakelijk is voor verbintenissen die zijn ontstaan na de faillietverklaring van verdachte (tenzij de boedel daarvan voordeel ondervindt). De benadeelde partijen die na het faillissement van verdachte verbintenissen met hem zijn aangegaan vallen dus onder de reikwijdte van deze bepaling. Hierna zal de rechtbank de vorderingen van de benadeelde partijen verder beoordelen.
9.2.2
De vordering van benadeelde partij [benadeelde 3]
heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 24.524,61 aan materiële schade en een bedrag van € 3.000,- aan immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder feit 3 ten laste gelegde.
9.2.2.1 Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen voor wat betreft het materiële deel, met toepassing van de wettelijke rente. Het immateriële deel dient te worden afgewezen.
9.2.2.2 Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft aangevoerd dat de schadepost rente van lening geen rechtstreekse schade is en dat de benadeelde partij in dit deel dus in ieder geval niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Verder dient de benadeelde partij in het immateriële deel van de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard wegens het ontbreken van een onderbouwing.
9.2.2.3 Het oordeel van de rechtbank
De schade die betrekking heeft op de schadepost ‘lening’ van in totaal € 18.000,- komt grotendeels voor vergoeding in aanmerking. Dit betreft het door de benadeelde partij aan verdachte geleende geldbedrag dat niet is terugbetaald. Deze schade is dus rechtstreeks geleden als gevolg van het bewezen verklaarde onder feit 3. Omdat reeds € 800,- is vergoed zal de rechtbank de vordering tot het bedrag van € 17.200,- toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 31 september 2019 (de overeengekomen datum van terugbetaling) tot de dag van volledige betaling.
De benadeelde partij heeft ook vergoeding verzocht van de rente die verschuldigd zou zijn door de aangegane lening. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in dit deel niet-ontvankelijk. De grondslag van de vordering van de benadeelde partij is in deze procedure een onrechtmatige daad, niet een nakomingsvordering. Dat laatste is niet mogelijk in een strafprocedure. De rechtbank houdt bij het toekennen van de materiële schade daarom geen rekening met de tussen partijen afgesproken contractuele rente of boete. De wettelijke rente is zoals hiervoor bepaald wel toewijsbaar.
De benadeelde partij heeft ook immateriële schade gevorderd. De rechtbank merkt op dat vergoeding van immateriële schade kan worden toegekend als de benadeelde partij door het gepleegde feit in zijn/haar persoon is aangetast. Die aantasting kan bestaan uit lichamelijk letsel, het geschaad zijn in eer of goede naam of andere aantasting in de persoon. De rechtbank concludeert dat van de eerste twee situaties in dit geval geen sprake is. Hoewel de rechtbank het door [benadeelde 3] beschreven leed invoelbaar vindt, ziet zij hierin onvoldoende grond om een aantasting in de persoon op andere wijze aan te nemen. Hiervoor moet sprake zijn van naar objectieve maatstaven vast te stellen geestelijk letsel of de aard
en ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan moeten hiertoe aanleiding geven. Om te kunnen beoordelen of hiervan sprake is, is meer informatie nodig. De rechtbank is van oordeel dat nader onderzoek daarnaar een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De rechtbank verklaart de benadeelde partij daarom voor dit deel van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat dit deel bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.
Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. De kosten tot op dit moment worden begroot op € 724,61. Het gevorderde bedrag overschrijdt het liquidatietarief in civiele zaken niet (1 punt) en komt daarom voor volledige vergoeding in aanmerking.
Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [benadeelde 3] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 17.200,- te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 31 september 2019 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 121 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.
De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 3] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.
Dictum
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het onder feit 1, feit 2, feit 3, feit 4, feit 5 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;
- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;
Strafbaarheid
- verklaart het onder feit 1, feit 2, feit 3, feit 4, feit 5 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;
- verklaart verdachte strafbaar;
Oplegging straf
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van dertig (30) maanden;
- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van tien (10) maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;
- stelt daarbij een proeftijd van twee (2) jaren vast;
- als voorwaarde geldt dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
Benadeelde partij [aangever 1]
verklaart [aangever 1] niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
Benadeelde partij [aangever 2]
verklaart [aangever 2] niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
Benadeelde partij [aangever 17]
verklaart [aangever 17] niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
Benadeelde partij [benadeelde 6]
verklaart [benadeelde 6] niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
Benadeelde partij [aangever 5]
verklaart [aangever 5] niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
Benadeelde partij [aangever 6]
verklaart [aangever 6] niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
Benadeelde partij [benadeelde 7]
verklaart [benadeelde 7] niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
Benadeelde partij [aangever 9]
verklaart [aangever 9] niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
Benadeelde partij [benadeelde 1]
verklaart [benadeelde 1] niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
Benadeelde partij [benadeelde 3]
wijst de vordering van [benadeelde 3] toe tot een bedrag van € 17.200,-;
veroordeelt verdachte tot betaling aan [benadeelde 3] van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 september 2019 tot de dag van volledige betaling;
verklaart [benadeelde 3] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt verdachte ook in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op dit moment begroot op € 724,61;
legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde 3] aan de Staat € 17.200,-te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 september 2019 tot de dag van de volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 121 dagen gijzeling;
bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
Benadeelde partij [benadeelde 2] (privé)
wijst de vordering van [benadeelde 2] (privé) toe tot een bedrag van € 11.000;
veroordeelt verdachte tot betaling aan [benadeelde 2] (privé)van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 november 2019 tot de dag van volledige betaling;
verklaart [benadeelde 2] (privé) voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde 2] (privé) aan de Staat € 11.000,-te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 november 2019 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 90 dagen gijzeling;
bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
Benadeelde partij [benadeelde 2]
wijst de vordering van [benadeelde 2] toe tot een bedrag van € 4.416,60-;
veroordeelt verdachte tot betaling aan [benadeelde 2] van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 september 2019 tot de dag van volledige betaling;
verklaart [benadeelde 2] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde 2] (privé) aan de Staat € 4.416,60 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 september 2019 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 54 dagen gijzeling;
bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
Benadeelde partij [aangever 10]
wijst de vordering van [aangever 10] toe tot een bedrag van € 1.196,80;
veroordeelt verdachte tot betaling aan [aangever 10] van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 oktober 2019 tot de dag van volledige betaling;
Feiten
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:
Feit 1
in de periode van 4 februari 2018 tot en met 9 augustus 2018 in Nederland, meermalen met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [aangever 1] en [aangever 2] en [aangever 3] en [benadeelde 6] heeft bewogen tot afgifte van geldbedragen van telkens 18.000 euro door
- zich voor te doen als bonafide ondernemer en/of (als vertegenwoordiger van) [bedrijf 1] en
- aan voornoemde [aangever 1] en/of [aangever 2] en/of [aangever 3] en/of [benadeelde 6] te vertellen en/of aan te geven dat hij, verdachte, een overeenkomst met de C&A heeft gesloten terwijl hij, verdachte, wist dat deze overeenkomst niet bestond en
- (vervolgens) aan voornoemde [aangever 1] en/of [aangever 2] en/of [aangever 3] en/of [benadeelde 6] te verzoeken om aan hem, verdachte, een geldbedrag te lenen (tegen een rentepercentage) ten behoeve van voornoemde overeenkomst met de C&A en
- (vervolgens) aan voornoemde [aangever 1] en/of [aangever 2] en/of [aangever 3] en/of [benadeelde 6] een (valselijk opgemaakte) overeenkomst en/of factuur tussen verdachte en de C&A te laten zien en/of toe te sturen en/of te overhandigen en
- (vervolgens) aan voornoemde [aangever 1] en/of [aangever 2] en/of [aangever 3] en/of [benadeelde 6] een (valselijk opgemaakte) geldleningsovereenkomst (al dan niet ondertekend door [naam] ) toe te sturen;
Feit 2
in de periode van 28 augustus 2018 tot en met 9 februari 2021 in Nederland, meermalen met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [aangever 4] en [aangever 5] en [aangever 6] en [benadeelde 7] en [aangever 8] en [aangever 9] en [benadeelde 2] en [aangever 10] en [aangever 11] en [aangever 12] en [aangever 13] en [aangever 14] en [aangever 15] en [aangever 16] heeft bewogen tot afgifte van geldbedragen van 5.444,27 euro en 2.181 euro en 4.839,73 euro en 4.839,73 euro en 7.493,09 en 1.630,30 euro en 4.416,60 euro en 1.196,80 euro en 1.335,89 euro en 487,65 euro en 879,90 euro en 1.200 euro en 2.779,92 euro en 1.157,79 euro, door
- zich voor te doen als bonafide ondernemer en/of (als vertegenwoordiger van) [bedrijf 1] en/of [VOF] en/of [VOF] en/of
- gebruik heeft gemaakt van het opgebouwde vertrouwen met cliënten van voornoemde bedrijf/bedrijven en
- voornoemde [aangever 4] en/of [aangever 5] en/of [aangever 6] en/of [benadeelde 7] en/of [aangever 8] en/of [aangever 9] en/of [benadeelde 2] en/of [aangever 10] en/of [aangever 11] en/of [aangever 12] en/of [aangever 13] en/of [aangever 14] en/of [aangever 15] en/of [aangever 16] (via WhatsApp en/of Facebook en/of telefoon en/of mondeling) te benaderen voor de aankoop van Apple apparatuur met een korting via hem, verdachte terwijl hij, verdachte, deze Apple apparatuur niet (met voornoemde korting) kon leveren en
- (vervolgens) aan voornoemde [aangever 13] een of meer (valselijk opgemaakte) e-mailberichten van Apple toe te sturen en/of te overhandigen en
- (vervolgens) aan voornoemde [aangever 8] een (valselijk opgemaakte) factuur van [bedrijf 1] .nl toe te sturen;
Feit 3
in de periode van 31 juli 2019 tot en met 13 december 2019 in Nederland, meermalen, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid [benadeelde 8] en [benadeelde 3] en [aangever 7] en [benadeelde 2] heeft bewogen tot afgifte van geldbedragen van 18.000 euro en 3.500 euro en 11.000 euro, door
- zich voor te doen als bonafide ondernemer en/of (als vertegenwoordiger van) [bedrijf 1] en/of [VOF] en/of [VOF] en
- gebruik heeft gemaakt van het opgebouwde vertrouwen met cliënten van voornoemde bedrijf/bedrijven en
- voornoemde [benadeelde 8] (via WhatsApp en/of Facebook en/of telefoon en/of mondeling) te benaderen voor de investering van een geldbedrag (tegen een rentepercentage van 20 procent) ter hoogte van 18.000 euro ten behoeve van een project, terwijl voornoemd project niet bestond en
- voornoemde [aangever 7] (via WhatsApp en/of telefoon) te benaderen voor een overbruggingskrediet van 3.500 euro ten behoeve van een project om Apple Imac computers te kopen en (nadat er nieuwe SSD-schijven waren ingezet) te verkopen, terwijl voornoemd project niet bestond en
- voornoemde [benadeelde 2] (via [klant] en/of mondeling) te benaderen voor een investering ten behoeve van een project om iMacs en/of Macbooks om te bouwen, terwijl voornoemd project niet bestond;
Feit 4
in de periode van 1 februari 2018 tot en met 9 december 2019 in Nederland, meermalen, een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten:
- een geldleningsovereenkomst tussen [aangever 1] en [VOF] V.O.F. en
- een proposal OS-C&A-22-01-2018 en
- een proposal OS-C&A-23-02-2018 en
- een factuur d.d. 6 oktober 2018 met als onderwerp Pro-Forma MacBook pro namens het bedrijf [bedrijf 1] .nl en
- een e-mailbericht uit december 2019 (uit naam van) van Apple Store [e-mail adres] .com) gericht aan [verdachte] ( [e-mail adres] @mac.com) en
- een e-mailbericht (uit naam) van [naam] aan [e-mail adres] .nl d.d. 4 februari 2018 en
- een geldleningsovereenkomst tussen [benadeelde 6] BV en [bedrijf 1] valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst door
- valselijk of in strijd met de waarheid in voornoemde geldleningsovereenkomst tussen [aangever 1] en [VOF] V.O.F. de handtekening van [benadeelde 1] te plaatsen en/of op te nemen en/of te vermelden en
- voornoemd proposal OS-C&A-22-01-2018 op te maken, terwijl deze proposal niet bestond en
- voornoemd proposal OS-C&A-23-02-2018 op te maken, terwijl deze proposal niet bestond en
- valselijk of in strijd met de waarheid in voornoemde factuur d.d. 6 oktober 2018 met als onderwerp Pro-Forma MacBook pro namens het bedrijf [bedrijf 1] .nl en het rekeningnummer van voornoemd bedrijf weg te laten en
- valselijk of in strijd met de waarheid in voornoemd e-mailbericht uit december 2019 op te nemen dat dit e-mailbericht is verzonden door Apple Store [e-mail adres] .com) gericht aan [verdachte] ( [e-mail adres] @mac.com) en/of in voornoemd e-mailbericht een bestelling van een iPad pro ter hoogte van 879,90 euro te factureren aan [aangever 13] te plaatsen en/of op te nemen en/of te vermelden en
- valselijk of in strijd met de waarheid in voornoemd e-mailbericht d.d. 4 februari 2018 gericht vaan [e-mail adres] .nl op te nemen “Hey [verdachte] , De nieuwe data is akkoord.
Beoordeling
9.2.3
De vordering van benadeelde partij [benadeelde 9] (privé)
[benadeelde 9] ( [benadeelde 2] (privé)) heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 11.750,- aan materiële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder feit 3 ten laste gelegde.
9.2.3.1 Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft verzocht om de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen, met toepassing van de wettelijke rente.
9.2.3.2 Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft aangevoerd dat de schadepost loonuren niet onderbouwd is en de benadeelde partij in dit deel van de vordering in ieder geval niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
9.2.3.3 Het oordeel van de rechtbank
De schade voor zover die betrekking hebben op de schadepost lening van in totaal € 11.000,- komt voor vergoeding in aanmerking. Dit betreft het door de benadeelde partij aan verdachte geleende geldbedrag dat niet is terugbetaald. Deze schade is dus rechtstreeks geleden als gevolg van het onder 3 bewezen verklaarde feit. De rechtbank zal de vordering tot het bedrag van € 11.000,- toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 8 november 2019 (de overeengekomen datum van terugbetaling) tot de dag van volledige betaling.
De benadeelde partij heeft meer gevorderd dan de rechtbank zal toewijzen. De vordering van € 750,00 aan loonuren is door de benadeelde partij niet met stukken onderbouwd en de verdediging heeft de hoogte van het schadebedrag betwist. Nader onderzoek hiernaar levert voor dat deel een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering voor dat deel bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.
Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.
Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [benadeelde 9] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 11.000,- te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 8 november 2019 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 90 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.
De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 9] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.
9.2.4
De vordering van benadeelde partij [benadeelde 2]
heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 4.416,60 aan materiële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder feit 2 ten laste gelegde.
9.2.4.1 Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft verzocht om de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen, met toepassing van de wettelijke rente.
9.2.4.2 Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen inhoudelijk verweer gevoerd tegen deze vordering.
9.2.4.3 Het oordeel van de rechtbank
De gevorderde schadevergoeding van € 4.416,60 ziet op het bedrag dat de benadeelde partij heeft betaald voor niet-geleverde Apple-producten. Deze schade is dus rechtstreeks geleden als gevolg van het onder 2 bewezen verklaarde feit. De rechtbank zal de vordering tot het bedrag van € 4.416,60 toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 24 september 2019 tot de dag van volledige betaling.
Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.
Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [benadeelde 2] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag € 4.416,60 te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 24 september 2019 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 54 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.
De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 2] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.
9.2.5
De vordering van benadeelde partij [aangever 10]
heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 1.196,80 aan materiële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder feit 2 ten laste gelegde.
9.2.5.1 Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft verzocht om de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen, met toepassing van de wettelijke rente.
9.2.5.2 Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen inhoudelijk verweer gevoerd tegen deze vordering.
9.2.5.3 Het oordeel van de rechtbank
De gevorderde schadevergoeding van € 1.196,80 ziet op het bedrag dat de benadeelde partij heeft betaald voor een niet-geleverde Apple-product. Deze schade is dus rechtstreeks geleden als gevolg van het onder feit 2 bewezen verklaarde feit. De rechtbank zal de vordering tot het bedrag van € 1.196,80 toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 2 oktober 2019 tot de dag van volledige betaling.
Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.
Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [aangever 10] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag € 1.196,80 te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 2 oktober 2019 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 21 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.
De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 10] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.
Dictum
veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [aangever 10] aan de Staat € 1.196,80 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 oktober 2019 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 21 dagen gijzeling;
bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
Benadeelde partij [aangever 13]
wijst de vordering van [aangever 13] toe tot een bedrag van € 879,90;
veroordeelt verdachte tot betaling aan [aangever 13] van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 december 2019 tot de dag van volledige betaling;
veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [aangever 13] aan de Staat € 879,90 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 december 2019 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 17 dagen gijzeling;
bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
Benadeelde partij [aangever 14]
wijst de vordering van [aangever 14] toe tot een bedrag van € 1.200,-;
veroordeelt verdachte tot betaling aan [aangever 14] van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 november 2020 tot de dag van volledige betaling;
veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [aangever 14] aan de Staat € 1.200,- te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 november 2020 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 22 dagen gijzeling;
bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
Benadeelde partij [aangever 15]
wijst de vordering van [aangever 15] af tot een bedrag van € 3.861,52;
verklaart [aangever 15] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [aangever 15] aan de Staat € 2.779,92 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 januari 2021 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 37 dagen gijzeling;
bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
Benadeelde partij [aangever 16]
wijst de vordering van [aangever 16] toe tot een bedrag van € 1.157,79;
veroordeelt verdachte tot betaling aan [aangever 16] van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 februari 2021 tot de dag van volledige betaling;
veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [aangever 16] aan de Staat € 1.157,79 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 februari 2021 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 21 dagen gijzeling;
bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.P. Schotman, voorzitter, mrs. L.M.M. Heppe en A. Maas, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.S. Stekkel, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 23 januari 2024.
Mrs. A.J.P. Schotman en N.S. Stekkel zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Beoordeling
9.2.6
De vordering van benadeelde partij [aangever 13]
heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 879,90 aan materiële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder feit 2 ten laste gelegde.
9.2.6.1 Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft verzocht om de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen, met toepassing van de wettelijke rente.
9.2.6.2 Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen inhoudelijk verweer gevoerd tegen deze vordering.
9.2.6.3 Het oordeel van de rechtbank
De gevorderde schadevergoeding van € 879,90 ziet op het bedrag dat de benadeelde partij heeft betaald voor niet-geleverde Apple-producten. Deze schade is dus rechtstreeks geleden als gevolg van het bewezen onder 2 verklaarde feit. De rechtbank zal de vordering tot het bedrag van € 879,90 toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 21 december 2019 (datum van aangifte, omdat niet duidelijk is geworden wanneer de laatste betaling is geweest) tot de dag van volledige betaling.
De benadeelde partij heeft in het door hem ingevulde Verzoek tot schadevergoeding onder het kopje immateriële schade een toelichting gegeven op wat de oplichting met hem heeft gedaan. Nu hij hieraan geen schadebedrag heeft gekoppeld, gaat de rechtbank ervan uit dat de benadeelde partij hiervoor geen schadevergoeding heeft gevorderd.
Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.
Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [aangever 13] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag € 879,90 te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 21 december 2019 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 17 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.
De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 13] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.
9.2.7
De vordering van benadeelde partij [aangever 14]
heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 1.200,- aan materiële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder feit 2 ten laste gelegde.
9.2.7.1 Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft verzocht om de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen, met toepassing van de wettelijke rente.
9.2.7.2 Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen inhoudelijk verweer gevoerd tegen deze vordering.
9.2.7.3 Het oordeel van de rechtbank
De gevorderde schadevergoeding van € 1.200,- ziet op het bedrag dat de benadeelde partij heeft betaald voor niet-geleverde Apple-producten. Deze schade is dus rechtstreeks geleden als gevolg van het onder 2 bewezen verklaarde feit. De rechtbank zal de vordering tot het bedrag van € 1.200,- toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 18 november 2020 tot de dag van volledige betaling.
Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.
Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [aangever 14] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag € 1.200,- te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 18 november 2020 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 22 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.
De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 14] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.
9.2.8
De vordering van benadeelde partij [aangever 15]
heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 3.861,52 aan materiële schade en een bedrag van € 500,- aan immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder feit 2 ten laste gelegde.
9.2.8.1 Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft verzocht om de vordering van de benadeelde partij enkel toe te wijzen voor wat betreft de schadepost niet geleverde Macbook pro, met toepassing van de wettelijke rente. De overige materiele kosten dienen te worden afgewezen, omdat deze kosten al zijn toegewezen door de civiele rechter. Het immateriële deel dient te worden afgewezen gelet op de strenge maatstaven van de Hoge Raad.
9.2.8.2 Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft aangevoerd dat de vordering met betrekking tot de schadepost niet geleverde Macbook moet worden afgewezen omdat dit deel al door de civiele rechter is toegewezen. De benadeelde partij dient in de vordering die ziet op de posten griffierechten en dagvaardingen niet-ontvankelijk te worden verklaard, aangezien dit geen rechtstreekse schade is in de strafzaak. De schadepost salariskosten dient volgens de raadsman niet-ontvankelijk te worden verklaard omdat deze post niet is onderbouwd.
9.2.8.3 Het oordeel van de rechtbank
De gevorderde schadevergoeding van € 2.7792,92 ziet op het bedrag dat de benadeelde partij heeft betaald voor een niet-geleverd Apple-product. Daarnaast zijn kosten voor procesvoering bij de kantonrechter gevorderd. De rechtbank heeft kennis genomen van het vonnis van de kantonrechter van 20 oktober 2021 (zaaknummer: 9424630 \ UC EXPL 21-6306) waarin vergoeding van deze materiële schadepost al is toegewezen. Dat geldt ook voor de posten ‘salaris’, ‘dagvaarding’ en ‘griffierecht’. Nu de benadeelde partij hiermee reeds over een executoriale titel beschikt wordt de vordering van de benadeelde partij afgewezen voor wat betreft het materiële deel.
De benadeelde partij heeft ook immateriële schade gevorderd. De rechtbank merkt op dat immateriële schade kan worden toegekend als de benadeelde partij door het gepleegde feit in zijn/haar persoon is aangetast. Die aantasting kan bestaan uit lichamelijk letsel, het geschaad zijn in eer of goede naam of andere aantasting in de persoon. De rechtbank concludeert dat van de eerste twee situaties in dit geval geen sprake is. Hoewel de rechtbank zich kan voorstellen dat de benadeelde partij last heeft ondervonden van de oplichting, ziet zij hierin onvoldoende grond om een aantasting in de persoon op andere wijze aan te nemen.
Dictum
Bijlage: de tenlastelegging
Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:
1hij, in of omstreeks de periode van 4 februari 2018 tot en met 9 augustus 2018 teVianen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meeranderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, met het oogmerk om zichen/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valsenaam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door eensamenweefsel van verdichtsels, [aangever 1] en/of [aangever 2] en/of [aangever 3] en/of [benadeelde 6] heeft bewogen tot afgifte ven enig goed, te weten een of meer geldbedrag(en) van (ongeveer) 18.000 euro en/of 18.000 euro en/of 18.000 euro en/of 18.000 euro, althans een (groot) geldbedrag door- zich voor te doen als bonafide ondernemer en/of (als vertegenwoordiger van)IT-bedrijf [bedrijf 1] en/of- aan voornoemde [aangever 1] en/of [aangever 2] en/of [aangever 3] en/of [benadeelde 6][benadeelde 6] te vertellen en/of aan te geven dat hij, verdachte, een overeenkomst met deC&A heeft gesloten (terwijl hij, verdachte, wist dat deze overeenkomst niet bestond)en/of- (vervolgens) aan voornoemde [aangever 1] en/of [aangever 2] en/of [aangever 3] en/of[benadeelde 6] te verzoeken om aan hem, verdachte, een geldbedrag te lenen(tegen een rentepercentage) ten behoeve van voornoemde overeenkomst met deC&A en/of- (vervolgens) aan voornoemde [aangever 1] en/of [aangever 2] en/of [aangever 3] en/of[benadeelde 6] een (valselijk opgemaakte) overeenkomst en/of factuur tussenverdachte en de C&A te laten zien en/of toe te sturen en/of te overhandigen en/of- (vervolgens) aan voornoemde [aangever 1] en/of [aangever 2] en/of [aangever 3] en/of[benadeelde 6] een (valselijk opgemaakte) geldleningsovereenkomst (al dan nietondertekend door [naam] ) toe te sturen;
(art 326 lid 1 Wetboek van Strafrecht)
2hij in of omstreeks de periode van 28 augustus 2018 tot en met 24 maart 2021 teVianen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meeranderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, met het oogmerk om zichen/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valsenaam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door eensamenweefsel van verdichtsels, [aangever 4] en/of [aangever 5] en/of [aangever 6] en/of [benadeelde 7] en/of [aangever 8] en/of [aangever 9] en/of [benadeelde 2] en/of [aangever 10] en/of [aangever 11] en/of [aangever 12] en/of [aangever 13] en/of [aangever 14] en/of [aangever 15] en/of [aangever 16] heeft bewogen tot afgifte ven enig goed, te weten een of meer geldbedrag(en) van (ongeveer) 5.444,27 euro en/of 2.181 euro en/of 4.839,73 euro en/of 4.839,73 euro en/of 7.493,09 en/of 1.630,30 euro en/of 4.416,60 euro en/of 1.196,80 euro en/of 1.335,89 euro en/of 487,65 euro en/of 879,90 euro en/of 1.200 euro en/of 2.779,92 euro en/of 1.157,79 euro, althans een (groot) geldbedrag door- zich voor te doen als bonafide ondernemer en/of (als vertegenwoordiger van) IT-bedrijf [bedrijf 1] en/of [VOF] en/of [VOF] en/of- gebruik heeft gemaakt van het opgebouwde vertrouwen met cliënten van voornoemde bedrijf/bedrijven en/of- voornoemde [aangever 4] en/of [aangever 5] en/of [aangever 6] en/of [benadeelde 7] en/of [aangever 8] en/of [aangever 9] en/of [benadeelde 2] en/of [aangever 10] en/of [aangever 11] en/of [aangever 12] en/of [aangever 13] en/of [aangever 14] en/of [aangever 15] en/of [aangever 16] (via WhatsApp en/of Facebook en/of telefoon en/of mondeling) te benaderen voor de aankoop van Apple apparatuur met 15% korting, althans met een korting via hem, verdachte terwijl hij, verdachte, deze Apple apparatuur niet (met voornoemde korting) kon leveren en/of- (vervolgens) aan voornoemde [aangever 13] een of meer (valselijk opgemaakte) e-mailberichten van Apple te tonen te laten zien en/of toe te sturen en/of te overhandigen;- (vervolgens) aan voornoemde [aangever 8] een (valselijk opgemaakte) factuur van [bedrijf 1] .nl te tonen te laten zien en/of toe te sturen en/of te overhandigen;
(art 326 lid 1 Wetboek van Strafrecht)
3hij in of omstreeks de periode van 31 juli 2019 tot en met 13 december 2019 te Vianen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde 8] en/of [benadeelde 3] en/of [aangever 7] en/of [benadeelde 2] heeft bewogen tot afgifte ven enig goed, te weten een of meer geldbedrag(en) van (ongeveer) 18.000 euro en/of 3.500 euro en/of 11.000 euro, althans een (groot) geldbedrag door- zich voor te doen als bonafide ondernemer en/of (als vertegenwoordiger van) IT-bedrijf [bedrijf 1] en/of [VOF] en/of [VOF] en/of- gebruik heeft gemaakt van het opgebouwde vertrouwen met cliënten van voornoemde bedrijf/bedrijven en/of- voornoemde [benadeelde 8] (via WhatsApp en/of Facebook en/of telefoon en/of mondeling) te benaderen voor de investering van een geldbedrag (tegen een rentepercentage van 20 procent) ter hoogte van 18.000 euro ten behoeve van een ‘house automation project’, althans een project, terwijl voornoemd project niet bestond en/of- voornoemde [aangever 7] (via WhatsApp en/of Facebook en/of telefoon en/of mondeling) te benaderen voor een overbruggingskrediet van 3.500 euro ten behoeve van een project om Apple Imac computers te kopen en (nadat er nieuwe SSD-schijven waren ingezet) te verkopen, terwijl voornoemd project niet bestond en/of- voornoemde [benadeelde 2] (via [klant] en/of WhatsApp en/of Facebook en/of telefoon en/of mondeling) te benaderen voor een investering ten behoeve van een project om iMacs en/of Macbooks om te bouwen, terwijl voornoemd project niet bestond;(art 326 lid 1 Wetboek van Strafrecht)4hij in of omstreeks de periode van 1 februari 2018 tot en met 9 december 2019 te Vianen, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten:- een geldleningsovereenkomst tussen [aangever 1] en [VOF] V.O.F. en/of- een proposal OS-C&A-22-02-2018 en/of- een proposal OS-C&A-23-02-2018 en/of- een factuur d.d. 6 oktober 2018 met als onderwerp Pro-Forma MacBook pro namens het bedrijf [bedrijf 1] .nl en/of- een e-mailbericht uit december 2019 (uit naam van) van Apple Store [e-mail adres] .com) gericht aan [verdachte] ( [e-mail adres] @mac.com) en/of- een e-mailbericht (uit naam) van [naam] aan [e-mail adres] .nl d.d. 4 februari 2018 en/of- een geldleningsovereenkomst tussen [benadeelde 6] BV en [bedrijf 1] valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst door- valselijk of in strijd met de waarheid in voornoemde geldleningsovereenkomst tussen [aangever 1] en [VOF] V.O.F. de handtekening van [benadeelde 1] te plaatsen en/of op te nemen en/of te vermelden en/of- voornoemd proposal OS-C&A-22-02-2018 op te maken, terwijl deze proposal niet bestond en/of- voornoemd proposal OS-C&A-23-02-2018 op te maken, terwijl deze proposal niet bestond en/of- valselijk of in strijd met de waarheid in voornoemde factuur d.d. 6 oktober 2018 met als onderwerp Pro-Forma MacBook pro namens het bedrijf [bedrijf 1] .nl en/of het rekeningnummer van voornoemd bedrijf weg te laten en/of niet te vermelden en/of- valselijk of in strijd met de waarheid in voornoemd e-mailbericht uit december 2019 op te nemen dat dit e-mailbericht is verzonden door Apple Store [e-mail adres] .com) gericht aan [verdachte] ( [e-mail adres] @mac.com) en/of in voornoemd e-mailbericht een bestelling van een iPad pro ter hoogte van 879,90 euro te factureren aan [aangever 13] te plaatsen en/of op te nemen en/of te vermelden en/of- valselijk of in strijd met de waarheid in voornoemd e-mailbericht d.d. 4 februari 2018 gericht vaan [e-mail adres] .nl op te nemen “Hey [verdachte] , De nieuwe data is akkoord.
Beoordeling
Hiervoor moet sprake zijn van naar objectieve maatstaven vast te stellen geestelijk letsel of de aard en ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan moeten hiertoe aanleiding geven. Om te kunnen beoordelen of hiervan sprake is, is meer informatie nodig. Onduidelijk is op basis van de verstrekte stukken waarmee de fysieke klachten van de benadeelde partij precies verband houden. De rechtbank is van oordeel dat nader onderzoek daarnaar een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De rechtbank verklaart de benadeelde partij daarom voor dit deel van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat dit deel bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
De benadeelde partij zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van verdachte. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.
De rechtbank kan wel de gevorderde schadevergoedingsmaatregel opleggen. De rechtbank zal de schadevergoedingsmaatregel ook opleggen nu het gaat om een onrechtmatige daad waardoor benadeelde partij schade heeft geleden. De rechtbank zal ten behoeve van [aangever 15] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag € 2.779,92 te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 8 januari 2021 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 37 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.
De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 15] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.
9.2.9
De vordering van benadeelde partij [aangever 16]
heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 1.157,79 aan materiële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder feit 2 ten laste gelegde.
9.2.9.1 Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft verzocht om de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen, met toepassing van de wettelijke rente.
9.2.9.2 Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen inhoudelijk verweer gevoerd tegen deze vordering.
9.2.9.3 Het oordeel van de rechtbank
De gevorderde schadevergoeding van € 1.157,79 ziet op het bedrag dat de benadeelde partij heeft betaald voor niet-geleverde Apple-producten. Deze schade is dus rechtstreeks geleden als gevolg van het onder feit 2 bewezen verklaarde feit. De rechtbank zal de vordering tot het bedrag van € 1.157,79 toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 9 februari 2021 tot de dag van volledige betaling.
Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.
Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [aangever 16] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag € 1.157,79 te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 9 februari 2021 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 21 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.
De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 16] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.
9.2.10
De vordering van benadeelde partij [benadeelde 1]
heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 83.954,77,- aan materiële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder feit 4 ten laste gelegde.
9.2.10.1 Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, wegens de summiere onderbouwing en complexiteit daarvan.
9.2.10.2 Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft aangevoerd dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden omdat geen sprake is van rechtstreekse schade in verband met de bewezen verklaarde feiten.
9.2.10.3 Het oordeel van de rechtbank
De behandeling van de vordering van [benadeelde 1] levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. Naar het oordeel van de rechtbank is, gelet op de financiële situatie waarin het bedrijf zich bevond toen verdachte het onder 4 bewezen verklaarde feit beging, niet zonder meer vast te stellen dat de schade die de benadeelde partij stelt te hebben geleden uitsluitend zijn ontstaan als gevolg van dat bewezen verklaarde feit. Nader onderzoek hiernaar vergt een te zware belasting van het strafproces. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.
10TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN